Strafrecht overig
Beklag artikel 552a Sv ongegrond: geen sprake bovenmatig bedrag, inschatting wederrechtelijk verkregen…
Rechtbank Amsterdam, 2 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:8019 · Rechtbank Amsterdam · 2 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/rekestprocedure/ecli-nl-rbams-2026-8019
Zaakgegevens
Op 2 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Datum publicatie
- 11 augustus 2026
- Zaaknummer
- 008173-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8019
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beklag artikel 552a Sv ongegrond: geen sprake bovenmatig bedrag, inschatting wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt waarde inbeslaggenomen voorwerpen niet.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer : 008173-26
parketnummer : 13-012688-26
datum : 2 juli 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
woonplaats kiezend op het kantoor van zijn advocaat mr. J.L. L'Homme,
[adres] ,
hierna te noemen: klager, tevens beslagene.
Feiten
Uit de stukken blijkt dat op 14 januari 2026 op grond van artikel 94a Sv onder klager een personenauto van het merk Opel Corsa in beslag is genomen. Op 17 maart 2026 is een personenauto van het merk Fiat 500 onder klager in beslag genomen. Op 12 januari 2026 heeft de rechter-commissaris tweemaal een machtiging conservatoir beslag verleend, namelijk voor een bedrag van € 13.690,00 en een bedrag van € 57.098,35.
Procedure
Het klaagschrift is op 19 maart 2026 op de griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 2 juli 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van klager, mr. S.A.L. Crucq (waarnemend voor mr. J.L. L'Homme), en de officier van justitie, mr. I.T. Hoekstra op zitting gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
-
een personenauto van het merk Opel Corsa;
-
een personenauto van het merk Fiat 500.
Namens klager is aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen dienen te prevaleren boven het strafvorderlijk belang, waarbij gekeken dient te worden naar de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Klager heeft beide voertuigen nodig voor zijn werk, namelijk voor het rondbrengen van spullen en het verschijnen op afspraken door het hele land. Ook is het de vraag of de waarde van de inbeslaggenomen voertuigen in verhouding staat tot de verwachte hoogte van de eventuele betalingsverplichting. Tot slot dient meegenomen te worden dat nog geen inhoudelijke zitting gepland is en de datum van een beslissing onzeker is.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter aan de beslagene een ontnemingsmaatregel en een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Er is sprake van een groot feitencomplex, waarbij klager wordt verdacht van de oplichting van meerdere personen. De verwachting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is meer dan
€ 120.000,-. Dit bedrag ligt ruim boven de getaxeerde waarde van de inbeslaggenomen voertuigen. Het beklag dient dan ook ongegrond verklaard te worden.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en tijdig ingediend. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hiervan is de rechtbank niet gebleken.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
Bij de beoordeling van een beklag gericht tegen een beslag op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter eerst te onderzoeken of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Als er geen sprake is van een dergelijke verdenking moet teruggave worden gelast.
Als er wel sprake is van een dergelijke verdenking moet de rechter onderzoeken of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een geldboete, dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Klager wordt – kort gezegd – verdacht van het meerdere malen plegen van oplichting en verduistering. Dit betreft geen misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde vierde categorie kan worden opgelegd.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken. Gelet op de verdenking is een inschatting gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechter-commissaris heeft hiervoor een machtiging conservatoir beslag verleend. De taxatiewaarde van de inbeslaggenomen voertuigen onder klager overstijgen niet het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, waardoor geen sprake is van een bovenmatig beslag. De rechtbank acht het daarom niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan klager een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen dat hoger is dan het bedrag dat de inbeslaggenomen goederen vertegenwoordigt.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. B.C. Langendoen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.