Strafrecht overig

Beklag tegen art. 552a Sv motor ongegrond.

Rechtbank Amsterdam, 2 juli 2026

Zaakgegevens

Op 2 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
2 juli 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
011898-26
Procedure
Rekestprocedure
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:8030
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beklag tegen art. 552a Sv motor ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht

Zittingsplaats Amsterdam

raadkamernummer : 011898-26

parketnummer : 96-115743-26

datum : 2 juli 2026

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager, tevens beslagene],

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats],

woonplaats kiezende op het adres van advocaat mr. T. van Nimwegen,

te [adres],

hierna te noemen: klager, tevens beslagene.

Feiten

Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv blijkt dat op 19 april 2026 in het strafvorderlijk onderzoek tegen klager een motor van het merk Piaggio M45 (goednummer 6770160) in beslag is genomen.

Op 19 april 2026 is klager onder verdenking van het rijden onder invloed staande gehouden. Klager heeft geweigerd om bloed te laten afnemen. De motor van de klager is vervolgens in beslag genomen.

Procedure

Het klaagschrift is op 22 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 2 juli 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft klager, de advocaat mr. H.O. de Boer (waarnemend voor mr. T. van Nimwegen) en de officier van justitie, mr. I.T. Hoekstra, op zitting gehoord.

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: een motor van het merk Piaggio M45.

Door en namens de klager is aangevoerd dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de inbeslaggenomen motor verbeurd zal worden verklaard. Er is geen sprake van een onherroepelijke veroordeling, omdat tegen de strafbeschikking inhoudende een geldboete (parketnummer 96-230650-23) verzet is ingesteld en de strafbeschikking inhoudende een taakstraf van 60 uren (parketnummer 96-122513-25) nog niet is voltooid, waardoor ook die veroordeling nog niet onherroepelijk is. Daarnaast voldoet de voortzetting van het beslag niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De motor is van grote waarde en een eventuele verbeurdverklaring zal grote financiële gevolgen hebben voor klager. Klager ontvangt een bijstandsuitkering, heeft schulden en dient nog de kosten van het CBR te betalen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het Openbaar Ministerie in de strafzaak zal vorderen dat het voorwerp zal worden verbeurd verklaard. De klager heeft zich onbehoorlijk gedragen tegenover de politie tijdens zijn staandehouding. Daarnaast is sprake van herhaald plegen ten aanzien van soortgelijke feiten.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd.

Het beklag is schriftelijk gedaan en tijdig ingediend. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag.

De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hiervan is de rechtbank niet gebleken.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.

Als geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, -ook in een zaak betreffende een ander dan de klager-, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.

Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.

Uit het strafblad van klager blijkt dat hij al tweemaal eerder is aangehouden wegens het overtreden van de Wegenverkeerswet, waardoor sprake is van herhaald plegen. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van de inbeslagname van de motor op 19 april 2026 dat verdachte ernstig gedrag heeft vertoond, waarbij hij verkeersregels heeft overtreden, kenmerken vertoonde die passen bij het (ernstig) onder invloed zijn van middelen, zich verzette tegen het afnemen van een ademtest- en analyse en zich daarbij recalcitrant gedroeg.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen voorwerp zal verbeurd verklaren. Het aangevoerde persoonlijke belang van klager, te weten de financiële gevolgen van de voortzetting van de inbeslagname, zijn niet dusdanig groot dat zij dient te prevaleren boven het strafvorderlijk belang.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. B.C. Langendoen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.