Strafrecht overig
Beklag tegen art. 552a Sv ongegrond, want onderzoek loopt nog.
Rechtbank Amsterdam, 2 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:8031 · Rechtbank Amsterdam · 2 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/rekestprocedure/ecli-nl-rbams-2026-8031
Zaakgegevens
Op 2 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Datum publicatie
- 11 augustus 2026
- Zaaknummer
- 010254-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8031
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beklag tegen art. 552a Sv ongegrond, want onderzoek loopt nog.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer : 010254-26
parketnummer : 13-102655-26
datum : 2 juli 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager, tevens beslagene],
geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend aan [adres],
op het kantoor van zijn raadsman mr. G. Onnink,
hierna te noemen: klager, tevens beslagene.
Feiten
Uit het voorgeleidingsdossier en het klaagschrift blijkt dat op 4 april 2026 op grond van artikel 94 Sv in het strafvorderlijk onderzoek tegen de klager een telefoon (Apple iPhone 16) (goednummer: 88940) in beslag is genomen.
Procedure
Het klaagschrift is op 10 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 2 juli 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van klager, mr. G. Onnink, en de officier van justitie, mr. I.T. Hoekstra, op zitting gehoord.
Klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: een telefoon (Apple iPhone 16).
Namens klager is aangevoerd dat hij geen verdachte is in de strafzaak en op het moment dat door de politie een kopie is gemaakt van de inhoud van de telefoon, de telefoon terug kan naar klager. Daarnaast betreft het privé eigendom van klager, waardoor hij een persoonlijk belang heeft bij teruggave van het voorwerp.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het onderzoek naar de telefoon nog niet is afgerond. De politie heeft aangegeven dat de telefoon nog niet is gekraakt, waardoor er nog geen kopie van de inhoud van de telefoon is gemaakt. Klager kan dit proces bespoedigen door het verstrekken van de pincode van de de telefoon. Daarnaast is sprake van onderzoek naar een ernstige verdenking en zijn de onderzoeksresultaten daarom van groot belang.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en tijdig ingediend. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hiervan is de rechtbank niet gebleken.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Als geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, -ook in een zaak betreffende een ander dan de klager-, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Uit hetgeen de officier van justitie naar voren heeft gebracht blijkt dat het onderzoek naar de telefoon nog moet aanvangen omdat door klager nog geen toestemming is verleend en/of code is gegeven om in de telefoon te kijken. Daar komt bij dat de telefoon nog niet heel lang geleden in beslag is genomen, zodat het openbaar ministerie niet kan worden tegengeworpen dat het onderzoek onvoldoende voortvarend is geweest.
Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag, omdat het onderzoek nog loopt. Het voorwerp is immers in beslag genomen met het doel de waarheid aan het licht te brengen. Het onderzoeksbelang dient daarom te prevaleren boven het persoonlijk belang van klager om over zijn persoonlijke eigendom te beschikken.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.
Beslissing
Deze beslissing is gegeven door
mr. B.C. Langendoen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.