Strafrecht overig

vervolgings EAB / Frankrijk / medische omstandigheden / tussenuitspraak

Zaakgegevens

Op 29 maart 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
29 maart 2019
Datum publicatie
1 april 2019
Zaaknummer
13/751810-17
Procedure
Tussenuitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2019:2384
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

vervolgings EAB / Frankrijk / medische omstandigheden / tussenuitspraak

Uitspraak

Inhoudsopgave

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751810-17

RK-nummer: 17/6858

Datum uitspraak: 29 maart 2019

TUSSENUITSPRAAK

Op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 oktober 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europgeeïste persoonees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juli 2017 door de Procureur de la République près le Tribunal de Grande Instance de Lille (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[ opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1970,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het [BRP-adres] ,

hierna te noemen “de opgeeïste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 juli 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.

De opgeeïste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. R. Jonk, advocaat te Amsterdam.

De behandeling van de vordering is ter zitting geschorst.

De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 27 december 2018 in de stand waarin het onderzoek op 24 juli 2018 was geschorst. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeeïste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam.

In de brief van 7 februari 2018 van de Franse justitiële autoriteit volgt dat de opgeeiste persoon niet in Nîmes wordt geplaatst.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 15 maart 2019 in de stand waarin het onderzoek op 27 december 2018 was geschorst. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeeïste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, voornoemd.

2 Identiteit van de opgeeïste persoongeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeeïste persoongeëiste persoon onderzocht. De opgeeïste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

3.1

Inleiding

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van de rechter-commissaris van de Arrondissementsrechtbank te Lille van 6 juli 2017 (parketnummer 15-236-107, onderzoeksnummer JIRSCC/15/11).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeeïste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.2

Genoegzaamheid

3.2.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de feitsomschijving niet genoegzaam is, omdat de feitelijke betrokkenheid van de opgeeïste persoon onvoldoende is beschreven. De raadsman verzoekt om hiervoor nadere vragen te stellen aan de Franse justitiële autoriteit.

3.2.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich opgeeïste persoon het standpunt gesteld dat de feitsomschrijving in het EAB summier is, maar met name door de aanvullende informatie van 5 juli 2018 genoegzaam is.

3.2.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeeïste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeeïste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak aan de vereisten van artikel 2 OLW is voldaan. Het is duidelijk wat de opgeeïste persoon wordt verweten. De feitsomschrijving in het EAB in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van 5 juli 2018 bevat een pleegdatum, pleegplaats en de rol van de opgeeïste persoon wordt beschreven. De rechtbank is van oordeel dat de feitsomschrijving genoegzaam is. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om de behandeling te schorsen om nadere informatie over de mate van betrokkenheid van de opgeeïste persoon te vragen.

4 Strafbaarheid: feiten vermeld opgeeïste persoon bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 5 en 9, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotropgeeïste persoone stoffen

witwassen van opgeeïste persoonbrengsten van misdaden

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is opgeeïste persoon deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldverweer

De opgeeïste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeeïste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De officier van justitie in Frankrijk heeft op 7 februari 2018 de volgende garantie gegeven:

“Om gevolg te geven aan uw verzoek betreffende terugkeergarantie d.d. 07 februari 2018 in dit dossier, heb ik de eer u in kennis te stellen dat [ opgeëiste persoon] bij zijn verschijning voor de onderzoeksmagistraat in verdenking kan worden gesteld, dat wil zeggen hij zal kennis krijgen van de feiten die hem ten laste gelegd worden en kan eventueel, in afwachting van het proces, in een Franse penitentiaire inrichting in voorlopige hechtenis geplaatst worden. Na afloop van de procedure (die verschillende maanden kan duren) kan betrokkene verwezen worden naar een rechteljke instantie en eventueel veroordeeld worden tot een vrijheidsstraf.

Overigens heeft Frankrijk met de wet nr. 2013-711 van 5 augustus 2013 het kaderbesluit van de Raad van de Europgeeïste persoonese Unie nr. 2008/909/JBZ van 27 november 2008 ten uitvoer gelegd inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrjheidsbeneming strekkende maatregelen worden opgeeïste persoongelegd met het oog opgeeïste persoon de tenuitvoerlegging ervan in de Europgeeïste persoonese Unie.

Indien [ opgeëiste persoon] , na afloop van de procedure waarvoor er een Europees aanhoudingsbevel jegens hem is afgegeven, door een Franse rechtbank veroordeeld zou worden, zal het nodige gedaan worden voor de tenuitvoerlegging van de samenwerkingsinstrumenten op het gebied van overbrenging van personen en zal betrokkene naar Nederland teruggestuurd worden om daar, voor zover van toepassing, zijn gevangenisstraf uit te zitten.”

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opgeeïste persoonleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan.

De onder 4. bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren opgeeïste persoon:

deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opgeeïste persooniumwet

medeplegen van opgeeïste persoonzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opgeeïste persooniumwet gegeven verbod

medeplegen van opgeeïste persoonzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opgeeïste persooniumwet gegeven verbod

medeplegen van opgeeïste persoonzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opgeeïste persooniumwet gegeven verbod

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

- het onderzoek vindt plaats in Frankrijk;

- het bewijs bevindt zich in Frankrijk;

- de medeverdachten zijn aangehouden in Frankrijk en zijn daar gedetineerd.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Franse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Franse autoriteiten en de verdere vervolging in Frankrijk de voorkeur verdienen, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten. De overlevering voor de drugsfeiten moet worden geweigerd omdat het EAB op dat punt ongenoegzaam is en dan blijft alleen het feit witwassen over. Dat laatstgenoemde feit heeft geheel opgeeïste persoon Nederlands grondgebied plaatsgevonden en levert een inbreuk op de rechtsorde in Nederland op. Dat de medeverdachten in Frankrijk gedetineerd zijn is onvoldoende motivering om van de weigeringsgrond van artikel 13, eerste lid, OLW af te zien, aldus de raadsman.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Detentieomstandigheden

In zijn arrest van 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Caldararu, punt 78) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.

Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeeïste persoongeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Caldararu, punten 88-89).

De rechtbank is onder meer bij uitspraak van 17 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:6648, ingegaan op de detentieomstandigheden in Frankrijk. Daarbij is vastgesteld dat uit de objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over Frankrijk blijkt dat er een reëel gevaar bestaat dat gedetineerden in het huis van bewaring te Nîmes wegens ruimtegebrek onmenselijk of vernederend worden behandeld. Niet is gebleken van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over Frankrijk die tot het oordeel dat de detentieomstandigheden opgeeïste persoon andere plaatsen dan in Nîmes eveneens niet met het Handvest van de grondrechten van de Europgeeïste persoonese Unie (hierna: het Handvest) in overeenstemming zijn.

Bij brief van 7 februari 2018 heeft de officier van justitie in Frankrijk het volgende verklaard:

“U kunt erop vertrouwen dat betrokkene noch in een gevangenis in de regio Parijs, noch in Nîmes gevangen zal worden gehouden.”

Naar het oordeel van de rechtbank kan zodoende worden geoordeeld dat in het geval van de opgeeïste persoon in zoverre geen sprake zal zijn van een met artikel 4 van het Handvest strijdige situatie.

9. Overige verweren: medische omstandigheden van de opgeeïste persoongeëiste persoon

Bij gelegenheid van de zitting van 27 december 2018 waarbij de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd is aangehouden heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, als volgt overwogen:

“Naar het oordeel van de rechtbank is duidelijk dat het hier gaat om een zeer ingewikkelde medische situatie. De raadsman en de officier van justitie zijn het erover eens dat er nadere informatie nodig is. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Zij laat daarbij in het midden of de informatie de toelaatbaarheid van de overlevering raakt, danwel dat sprake is van een situatie die eigenlijk dient te worden bezien in het kader van artikel 35 OLW, en dus bij de feitelijke overlevering. Aangezien op de eerdere zitting echter al is besloten dat eerst meer helderheid verkregen moet worden over de beschikbare medische zorg, voordat over de toelaatbaarheid van de overlevering zal worden geoordeeld, zal deze lijn vooralsnog worden gevolgd.

De rechtbank zal de zaak aanhouden om de raadsman in de gelegenheid te stellen in contact te treden met de hoofdbehandelaar, zodat deze op papier kan zetten wat er concreet nodig is aan dagelijkse zorg van de opgeëiste persoon, waarna het Openbaar Ministerie deze informatie aan de Franse justitiële autoriteiten kan toesturen.”

Inmiddels is door de hoofdbehandelaar van de opgeeiste persoon bij brief van 16 januari 2019 een uitvoerige uiteenzetting gegeven van de actuele medische problemathiek van de opgeeiste persoon. Deze (vervolgens vertaalde) brief is door het Openbaar Ministerie, voorzien van een begeleidend schrijven, doorgezonden aan de Franse jusititiele autoriteiten. Tijdens de zitting is gebleken dat er nog geen antwoord is ontvangen van de Franse autoriteiten. De rechtbank beschikte tot aan de zitting niet over die brief van de behandelaar. De rechtbank beschikt nog niet over het begeleidend schrijven van het Openbaar Ministerie en is daarom evenmin bekend met het moment waarop de aanvullende informatie is gevraagd.

  1. De rechtbank acht het van belang kennis te kunnen nemen van het begeleidend schrijven als genoemd en verzoekt het Openbaar Ministerie dat schrijven in het geding te brengen en voorts,

  2. door tussenkomst van het Openbaar Miniusterie, het standpunt van de Franse justitiele autoriteiten aangaande (kortgezegd) de beschreven medische problemathiek te verkrijgen

en zal de behandeling daartoe aanhouden teneinde de autoriteiten in de gelegenheid te stellen dat standpunt kenbaar te maken. De rechtbank meent dat een termijn van 4 weken daarvoor voldoende is.

Daarnaast is - onverminderd het voorgaande - het volgende van belang.

Tijdens de zitting van 27 december 2018 zijn ook de mogelijke problemen - bij overlevering - van het transport van de opgeeiste persoon naar Frankrijk aan de orde gekomen.

De rechtbank acht dit aspect, in het bijzonder in het licht van het arrest van Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 inzake [naam 1] , [naam 2] . en [naam 3] tegen de republiek Slovenië (C-578/16 PPU 2017, ECLI:EU:C:2017:127) relevant. Weliswaar ziet het arrest op de zogenoemde Dublin problemathiek maar de overwegingen van het Hof zijn naar het oordeel van de rechtbank van belang voor haar beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde overlevering. De rechtbank wijst daartoe op de overwegingen 55 e.v. van het Hof voor zover deze zien op de feitelijke overdracht van de betrokkene en de verantwoordelijkheid van zowel de uitvaardigende als de uitvoerende rechterlijke instantie.

De rechtbank acht het noodzakelijk dat aan het Openbaar Ministerie alsmede aan de Franse justitiele autoriteiten, door tussenkomst van het Openbaar Minsterie, een (aanvullende) vraag zal worden gesteld die ziet op deze hiervoor beschreven (overdrachts-) problemathiek gezien de medische toestand van opgeeiste persoon in het licht van het genoemde arrest van 16 februari 2017.

Deze vraag luid aldus: op welke wijze zal worden voorzien in de overdracht / overbrenging van de opgeeiste persoon op een wijze die het risico op onmenselijke of vernederende behandeling bij overdracht van de opgeeiste persoon uitsluit?

Ook daartoe zal de zaak worden aangehouden. De rechtbank gaat er ook hier van uit dat het mogelijk moet zijn om die vraag binnen een termijn van 4 weken te beantwoorden.

10 Beslissing:

HEROPENT en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd om bovengenoemde reden.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum met tijdig bericht aan haar raadsman.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en H.G. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken ter opgeeïste persoonenbare zitting van 29 maart 2019.

De jongste rechter is buiten staat de uitspraak te tekenen

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.