Civiel recht overig
Nietigheidsgbrek in dagvaarding, nu deze bij gedaagde de indruk kan hebben gewekt dat van hem bij…
ECLI:NL:RBARN:2012:BV7741 · Rechtbank Arnhem · 20 februari 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-arnhem/civiel-recht/civiel-recht-overig/kort-geding/ecli-nl-rbarn-2012-bv7741
Zaakgegevens
Op 20 februari 2012 heeft de Rechtbank Arnhem in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank ArnhemRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 februari 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 224429
- Rechtsgebied
- Civiel recht Civiel recht overig
- Procedure
- Kort gedingKort gedingEen snelle procedure bij de voorzieningenrechter voor spoedeisende zaken, met een voorlopig oordeel.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBARN:2012:BV7741
Samenvatting
Nietigheidsgbrek in dagvaarding, nu deze bij gedaagde de indruk kan hebben gewekt dat van hem bij verschijning griffierecht zal worden geheven, hetgeen hem ervan kan hebben weerhouden te verschijnen. Geen verstek verleend.
Eiseres krijgt gelegenheid tot uitbrengen herstelexploot. Vanwege de hoogte van de vordering verklaart de kantonrechter zich onbevoegd en verwijst hij de zaak naar de sector civiel, waarbij gedaagde erop wordt gewezen dat hij daar wél griffierecht is verschuldigd.
Uitspraak
Vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Burgerlijk recht, sector kanton
Locatie Arnhem
zaaknummer / rolnummer: 224429 / KG ZA 11-685
Vonnis in kort geding van 20 februari 2012
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BEINUM B.V.,
gevestigd te Doetinchem,
eiseres,
gemachtigde mr. E.F.M. Houbiers te Zevenaar,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
niet verschenen.
Eiseres zal hierna Beinum en gedaagde zal hierna [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1 t/m 14
- een brief van mr. C.C.J. van Pol te Echt namens [gedaagde] van 30 januari 2012 met als bijlage een conclusie van antwoord
- een brief van mr. Houbiers van 3 februari 2012 met als bijlage een akte van uitlatingen tevens houdende de producties 15 t/m 17
- een brief van mr. Van Pol van 6 februari 2012 met als bijlagen 2 producties
- de mondelinge behandeling.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
2.1. [gedaagde] is ter zitting niet verschenen, noch iemand namens hem. Als eerste is de vraag aan de orde of tegen hem verstek dient te worden verleend. Ingevolge artikel 121 Rv verleent de kantonrechter in beginsel geen verstek tegen een gedaagde die niet in het geding is verschenen wanneer blijkt dat de dagvaarding lijdt aan een nietigheidsgebrek, maar geeft de rechter eiser gelegenheid tot herstel van het gebrek.
2.2. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.
In de dagvaarding is onder meer het navolgende vermeld:
“(…)
2. dat bij verschijning in het geding eiser een griffierecht van € 873,00 zal worden geheven, te voldoen binnen vier weken te rekenen vanaf het tijdstip van verschijning van gedaagde. (…)”
2.3. Beinum heeft betoogd dat uit hetgeen dat is vermeld in r.o. 2.2. onder 2 volgt dat slechts bij verschijning van Beinum griffierecht zal worden geheven. In de dagvaarding is niet vermeld dat [gedaagde] bij verschijning griffierecht verschuldigd zal zijn, aldus Beinum. Beinum erkent dat in de dagvaarding niet is vermeld dat [gedaagde] bij verschijning géén griffierecht verschuldigd zal zijn.
De kantonrechter volgt Beinum niet in haar betoog. Weliswaar is per 1 januari 2011 artikel 112 Rv vervallen, waarin was bepaald dat in de dagvaarding waarmee een gedaagde werd gedagvaard voor de kantonrechter, rechtdoende in kort geding, moest worden vermeld dat van gedaagde bij verschijning géén griffierecht zal worden geheven, maar dit laat onverlet dat op grond van het huidige artikel 111 lid 2 sub k Rv volgt dat in een dergelijke dagvaarding niet behoort te worden vermeld dat bij de gedaagde die in een kanton kort geding verschijnt griffierecht zal worden geheven. De formulering van wat in r.o. 2.2. onder 2 is vermeld kan in redelijkheid zo gelezen worden dat bij [gedaagde] de indruk is gewekt dat indien hij ter zitting verschijnt van hem een griffierecht van € 873,00 zal worden geheven. Deze vermelding kan [gedaagde] er van hebben weerhouden om te verschijnen. [gedaagde] is hierdoor mogelijk in zijn belang om verweer te kunnen voeren geschaad, op grond waarvan de aanzegging aan [gedaagde] nietig is. Nu de dagvaarding lijdt aan een nietigheidsgebrek en [gedaagde] niet is verschenen, zal het verstek niet worden verleend.
2.4. De kantonrechter is van oordeel dat, nu het nietigheidsgebrek voor herstel vatbaar is, een nieuwe zitting tegen een nader te bepalen datum dient plaats te vinden. Aan Beinum wordt op de voet van artikel 121 lid 2 Rv de gelegenheid gegeven tot herstel door het uitbrengen van een herstelexploot waarin de nietigheid wordt hersteld en waarin aan [gedaagde] de nieuwe zittingsdatum wordt aangezegd.
2.5. Voorts is Beinum door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om zich wat betreft haar vordering uit te laten over de absolute bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de sector kanton en de (mogelijke) ambtshalve verwijzing naar de voorzieningenrechter van de sector civiel.
2.6. Beinum heeft betoogd dat bij berekening van de hoogte van haar vordering het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten niet dient te worden meegenomen. De vordering, vermeerderd met de overeengekomen rente, beloopt minder dan een waarde van € 25.000,00 en behoort daarmee tot de competentie van de sector kanton, aldus Beinum.
2.7. Hiertoe wordt als volgt overwogen. Beinum vordert in deze procedure niet alleen veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 17.039,49 te vermeerderen met de overeengekomen rente van € 7.525,38, zijnde in totaal een bedrag van € 24.564,87, maar ook de veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 3.684,73. Aangezien buitengerechtelijke kosten als vorm van vermogensschade voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, telt het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten mee voor de vraag of de vordering al dan niet hoger is dan
€ 25.000,00. De totale vordering van Beinum, niet zijnde een aardvordering, bedraagt daarmee in totaal € 28.249,60, derhalve meer dan € 25.000,00. De kantonrechter is niet bevoegd (artikel 93 Rv) om van een dergelijke vordering kennis te nemen.
2.8. Beinum heeft ter zitting verklaard bereid te zijn haar vordering te verminderen tot de bevoegdheidsgrens van de sector kanton teneinde een aanhouding van de zaak ten behoeve van een verwijzing naar de sector civiel te voorkomen.
Nu zoals hiervoor is overwogen reeds een aanhouding van de zaak dient plaats te vinden in verband met het geconstateerde nietigheidsgebrek, zal de kantonrechter de zaak, hierna op de voet van artikel 71 lid 1 Rv ambtshalve verwijzen naar de sector civiel van deze rechtbank. Bij verschijning voor de gewone voorzieningenrechter van de rechtbank zal overigens weer wel griffierecht van [gedaagde] worden geheven. Beinum dient dit te vermelden in het herstelexploot.
2.9. Over de internationale rechtsmacht, die Beinum in de dagvaarding baseert op een forumkeuzebeding, kan de kantonrechter niet oordelen zonder inhoudelijk op de zaak in te gaan, hetgeen buiten zijn bevoegdheid valt en ook niet kan zonder verstek te verlenen.
3. De beslissing
De kantonrechter, rechtdoende in kort geding
3.1. weigert verstek tegen [gedaagde] te verlenen,
3.2. verklaart zich onbevoegd om de vordering van Beinum te behandelen,
3.3. verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar een de zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem, Burgerlijk recht, sector civiel, op een nader te bepalen zittingsdatum,
3.4. beveelt dat de terechtzitting tegen deze nader te bepalen datum door Beinum bij exploot zal worden aangezegd aan [gedaagde], onder betekening van deze beslissing tot verwijzing,
3.5. wijst Beinum erop dat zij in het vervolg van de procedure vertegenwoordigd dient te worden door een advocaat,
3.6. wijst [gedaagde] erop dat hij dan als gedaagde griffierecht zal zijn verschuldigd,
3.7. wijst partijen erop dat de rechter van de sector civiel zal beslissen over de proceskosten in deze procedure.
Dit vonnis is gewezen door mr. Huijgen, kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier I.W.H.M. Verheijen op 20 februari 2012.