Belastingrecht

Rechtbank Den Haag · Bodemzaak · Belastingrecht

Rechtbank Den Haag, 9 april 2015

Zaakgegevens

Op 9 april 2015 heeft de Rechtbank Den Haag in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
9 april 2015
Datum publicatie
6 juli 2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 11295
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2015:7669
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 9 april 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:RBDHA:2015:7669

  2. Gerechtshof Den Haag · 22 maart 2016

    ECLI:NL:GHDHA:2016:793

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/11295

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

9 april 2015 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. A.M. van Kuijeren),

en

[P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2013 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.021 (de aanslag)

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordigers].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 19 februari 2014 aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2013 naar een inkomen uit werk en woning van € 13.021.

2. Op 24 mei 2014 heeft verweerder de aanslag opgelegd conform de door eiser ingediende aangifte.

3. Tegen de aanslag heeft eiser bezwaar gemaakt. Eiser stelt in zijn bezwaarschrift dat rekening moet worden gehouden met een nog te verrekenen verlies van € 3.086. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

4. In geschil is of de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek in geschil is of bij het vaststellen van de aanslag rekening moet worden gehouden met een verlies uit eerdere jaren van € 3.086.

5. Eiser neemt het standpunt in dat hij recht heeft op verliesverrekening, omdat hij zijn onderneming in het jaar 2000 heeft overgedragen aan een derde maar de overnameprijs

- waar hij wel belasting over heeft betaald - nooit heeft ontvangen. Ook stelt eiser dat is gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. .

6. Op grond van artikel 3.151, eerste lid, van de Wet IB 2001, stelt de inspecteur het bedrag van een verlies uit werk en woning vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Tussen partijen is niet in geschil dat een dergelijke beschikking in het verleden nimmer is gegeven. De mogelijkheid om verliezen uit voorgaande jaren te verrekenen op grond van genoemde wettelijke bepaling ontbreekt daarom (zie ook uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 11 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3808).

7. Eiser heeft in dit verband nog een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt. Eisers stelling dat verweerder het verlies al vanaf het jaar 2000 ieder jaar zou hebben geaccepteerd, is niet onderbouwd met stukken. Ook uit de door verweerder ter beschikking gestelde aanslaggegevens blijkt niet van de door eiser bedoelde verliesverrekening. Eisers gemachtigde heeft weliswaar in verschillende jaren op de aangifte een verlies vermeld, maar dat verlies is door verweerder niet in aanmerking genomen.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van

mr. L. Heekelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2015.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.