Bestuursrecht overig
Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Bestuursrecht overig
Rechtbank Den Haag, 6 januari 2017
ECLI:NL:RBDHA:2017:125 · Rechtbank Den Haag · 6 januari 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2017-125
Zaakgegevens
Op 6 januari 2017 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 6 januari 2017
- Datum publicatie
- 6 januari 2017
- Zaaknummer
- AWB - 16 _ 9328
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2017:125
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
bodemprocedure
Uitspraak
Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 16/9328
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 januari 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening van
Merck Sharp & Dohme B.V., te Haarlem, verzoekster,
(gemachtigde mr. A.J.G. Vegt),
tegen
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.W.Th. Berg).
Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2016 heeft verweerder besloten een rapport met een begeleidende brief, verzoeksters reactie op de publicatie en een bijbehorend nieuwsbericht (hierna: de documenten) op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) openbaar te maken.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
2 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3 Verzoekster wil het openbaar maken van de documenten tijdens de bezwaarprocedure tegengaan. Verzoekster voert in bezwaar inhoudelijke gronden aan tegen het besluit van 28 oktober 2016.
De voorzieningenrechter overweegt dat de beantwoording van de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten tot openbaarmaking van de documenten, mede gelet op het grote aantal door verzoeksters aangevoerde inhoudelijke gronden, een indringende beoordeling vergt waarvoor de procedure van de voorlopige voorziening zich niet leent. Het verzoek van verzoekster zal daarom aan de hand van een belangenafweging worden beoordeeld.
In het kader van het verzoek om voorlopige voorziening moet de voorzieningenrechter afwegen of, gelet op de betrokken belangen, in afwachting van de bezwaarprocedure de gegevens wel of niet openbaar gemaakt mogen worden. Het belang van verzoekster bij niet openbaarmaking in afwachting van een beslissing op bezwaar is evident, omdat openbaarmaking, indien eenmaal geschied, onomkeerbaar is. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat een andere onderneming eveneens een voorlopige voorziening heeft verzocht. In beide procedures spelen verschillende uiteenlopende belangen.
In het licht daarvan is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoekster bij een volledige heroverweging in de bezwaarfase dient te prevaleren boven het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het besluit tot openbaarmaking in het kader van een goede voorlichting van het publiek.
Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in die zin dat het besluit van 28 oktober 2016 wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
5 De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 495,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een wegingsfactor 1 en waarde per punt € 495,-).
6 De voorzieningenrechter ziet verder aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht vergoedt
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 28 oktober 2016 tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan verzoekster te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 495,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2017.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.