Bestuursrecht overig
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.
Rechtbank Den Haag, 6 juni 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:6655 · Rechtbank Den Haag · 6 juni 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2018-6655
Zaakgegevens
Op 6 juni 2018 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 6 juni 2018
- Datum publicatie
- 6 juni 2018
- Zaaknummer
- AWB - 18 _ 2641
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2018:6655
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.
Uitspraak
Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR AWB 18/2641
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juni 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening van
[verzoeker], te [plaats], verzoeker
(gemachtigde mr. N.M.H.M. Dekker),
tegen
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerster.
Overwegingen
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Bij besluit van 26 maart 2018 heeft verweerster verzoeker niet rijgeschikt verklaard voor het rijbewijs categorie B.
Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend bij verweerster.
Tevens heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij zo spoedig mogelijk zijn beroepsmatige werkzaamheden moet kunnen hervatten. Hiertoe dient hij te kunnen beschikken over een rijbewijs categorie B.
Gebleken is dat verzoeker thans niet over een geldig rijbewijs beschikt nu de geldigheid hiervan is verstreken op 31 januari 2018. Om een nieuw rijbewijs te verkrijgen dient hij een verklaring van geschiktheid te overleggen. Deze zal door verweerster niet verstrekt worden indien verzoeker, zoals thans het geval, niet rijgeschikt is verklaard.
Eventuele schorsing van het besluit waarin verzoeker niet rijgeschikt is verklaard leidt derhalve niet tot verstrekking van een rijbewijs, zoals door verzoeker in de door hem gevraagde voorziening uiteindelijk wordt beoogd.
De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel, dat verzoeker er niet in is geslaagd te onderbouwen waarom sprake is van een dusdanig spoedeisend belang, dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
Het verzoek wordt derhalve wegens het ontbreken van spoedeisend belang als kennelijk ongegrond afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2018.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.