Bestuursrecht overig
vovo toewijzing intrekking nederlanderschap
Rechtbank Den Haag, 9 november 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:11276 · Rechtbank Den Haag · 9 november 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2020-11276
Zaakgegevens
Op 9 november 2020 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 9 november 2020
- Datum publicatie
- 9 november 2020
- Zaaknummer
- AWB - 20 _ 5426
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2020:11276
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
vovo toewijzing intrekking nederlanderschap
Uitspraak
Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/5426
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 november 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening van
[verzoeker] , te [woonplaats] (België), verzoeker
(gemachtigde mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),
tegen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het Nederlanderschap van verzoeker ingetrokken.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2 De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Gelet op de gevolgen van het bestreden besluit voor verzoeker oordeelt de voorzieningenrechter dat verzoeker zijn spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
3 In het kader van het verzoek om voorlopige voorziening moet de voorzieningenrechter de belangen afwegen. Het belang van verzoeker bij het opschorten van de beslissing van verweerder is evident omdat het intrekken van zijn nationaliteit onmiddellijk grote gevolgen heeft voor zijn verblijfsstatus en de daaruit voortvloeiende rechten. In het licht daarvan is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoeker bij een volledige heroverweging in de bezwaarfase dient te prevaleren boven het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het primaire besluit.
Daarbij acht de voorzieningenrechter ook van belang dat verweerder, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen inhoudelijke reactie op het verzoek om een voorlopige voorziening naar voren heeft gebracht.
4 De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 17 juni 2020 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
5 Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
6 De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 525,- te betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2020.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.