Bestuursrecht overig
Wob, gedeeltelijke openbaarmaking stukken. Intrekking vovo na opschorting openbaarmaking. Proceskostenveroordeling.
Rechtbank Den Haag, 16 augustus 2022
ECLI:NL:RBDHA:2022:8210 · Rechtbank Den Haag · 16 augustus 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2022-8210
Zaakgegevens
Op 16 augustus 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 augustus 2022
- Datum publicatie
- 16 augustus 2022
- Zaaknummer
- AWB - 22 _ 540
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8210
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wob, gedeeltelijke openbaarmaking stukken. Intrekking vovo na opschorting openbaarmaking. Proceskostenveroordeling.
Uitspraak
Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/540 WOB
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 maart 2022 in de zaak tussen
[verzoekster] B.V., te [vestigingsplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. K. van Lessen Kloeke),
en
Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU), verweerder
(gemachtigde: mr. M. Gayir).
Procesverloop
Op 26 maart 2021 is verweerder op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) door een derde verzocht om openbaarmaking van “alle documenten die betrekking hebben op sponsorovereenkomsten, researchcontracten, consultancycontracten, dienstverleningscontracten, sprekersovereenkomsten en anderszins benoemde documenten van december 2020 tot heden tussen het UMCU en/of in dit ziekenhuis werkzame zorgprofessionals enerzijds en (rechts)personen die een coronavaccin produceren, in handel brengen, invoeren, in voorraad hebben, wederverkopen, afleveren dan wel aan een coronavaccin gerelateerde activiteiten verlenen anderzijds.”
Bij besluit van 23 december 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten om alle aangetroffen documenten gedeeltelijk openbaar te maken. De feitelijke openbaarmaking is uitgesteld met toepassing van artikel 6, vijfde lid, van de Wob.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Voorts heeft zij de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de tenuitvoerlegging van het primaire besluit wordt opgeschort tot en met zes weken na de beslissing op bezwaar. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden naar deze rechtbank.
Bij brief van 31 januari 2022 heeft verweerder de voorzieningenrechter meegedeeld dat de openbaarmaking van stukken wordt opgeschort tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Op 3 februari 2022 heeft verzoekster het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Verweerder is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75 van de Awb, voor zover hier van belang, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter redelijkerwijs heeft moeten maken.
Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan het bestuursorgaan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.
Op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, zijn de artikelen 8:75 en 8:75a van overeenkomstige toepassing bij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2. In een voorlopige voorziening-procedure is van tegemoetkomen kort gezegd sprake als het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het primaire besluit voorlopig opschort of als het bestuursorgaan de gevraagde voorlopige maatregel treft waardoor onevenredig nadeel wordt voorkomen. Met de brief van 31 januari 2022 wordt door verweerder aan verzoekster tegemoetgekomen.
3. Nu de in artikel 8:75a van de Awb bedoelde situatie zich hier voordoet, zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van verzoekschrift met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1).
4. De voorzieningenrechter wijst er ten slotte op dat het betaalde griffierecht van € 365,-, gelet op artikel 8:82, vierde lid, onder a, van de Awb, door de griffier wordt terugbetaald.
Beslissing
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
14 maart 2022.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.