Bestuursrecht overig
Verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker heeft het gerechtshof (verweerder) verzocht om inzage en…
Rechtbank Den Haag, 22 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:17805 · Rechtbank Den Haag · 22 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-17805
Zaakgegevens
Op 22 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 22 juni 2026
- Datum publicatie
- 1 juli 2026
- Zaaknummer
- SGR 25/8090
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17805
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker heeft het gerechtshof (verweerder) verzocht om inzage en toezending van een afschrift van zijn strafdossier in een afgesloten strafzaak. Verweerder heeft het strafdossier toegezonden op DVD, verzoeker is het hier niet mee eens. De voorzieningenrechter overweegt dat het gerechtshof geen bestuursorgaan in de zin van de Awb is. Er is geen sprake van een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat bij de bestuursrechter. Verweerder voert terecht aan dat verzoeker zich kan wenden tot de burgerlijke rechter. De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8090
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] ( [land] ), verzoeker
en
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, verweerder
(gemachtigde: mr. S.O. Visch).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoeker heeft verweerder verzocht om inzage en toezending van een afschrift van zijn strafdossier in een afgesloten strafzaak. Verzoeker heeft toegelicht dat hij dit nodig heeft in verband met de voorbereiding van een verzoek om herziening van zijn veroordeling en om te gebruiken in een op te starten civiele procedure.
3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter laten weten dat verweerder hem op 13 oktober 2025 inzage in zijn oude strafdossier heeft aangeboden. Op 14 november 2025 heeft verzoeker meegedeeld dat verweerder hem schriftelijk heeft toegezegd dat het strafrechtelijk dossier digitaal aan hem wordt verstrekt. Daarna heeft verweerder hem meegedeeld dat het dossier te groot was voor digitale verzending en dat het strafdossier hem daarom op DVD zal worden toegezonden. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker geen verstrekking van het strafdossier op een DVD wil, omdat hij niet over passende afspeelapparatuur beschikt. Verzoeker stelt dat het dossier in 2013-2015 illegaal en in zijn geheel openbaar op het internet stond. Zijn verzoek strekt ertoe dat hij het strafdossier, zoals dit op het internet stond, wil ontvangen in een andere digitale vorm dan op DVD.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter niet bevoegd is om over het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te oordelen, het handelen van verweerder kan namelijk niet bij de bestuursrechter ter discussie worden gesteld. Hij voert daartoe aan dat geen sprake is van een bestuursorgaan, omdat het Gerechtshof niet als zodanig kwalificeert. Er is dus ook geen sprake van een besluit in de zin van de Awb waartegen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat. Als verzoeker het niets eens is met de wijze waarop verweerder het verzoek heeft behandeld, dan staat daartegen alleen een rechtsgang bij de burgerlijke rechter open. Wat verzoeker verder nog aanvoert, kan ook niet leiden tot toewijzing van het verzoek, aldus verweerder.
5. De voorzieningenrechter overweegt dat het Gerechtshof een onafhankelijk, bij de wet ingesteld orgaan is dat met rechtspraak is belast, als bedoeld in artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb. Dit betekent dat het Gerechtshof geen bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Als gevolg hiervan is een beslissing op het verzoek van verzoeker (en de feitelijke uitvoering daarvan) geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaat. Verweerder voert terecht aan dat verzoeker zich kan wenden tot de burgerlijke rechter.
6. De voorzieningenrechter is kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat de voorzieningenrechter onbevoegd is, betaalt de griffier het griffierecht terug.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: