Bestuursrecht overig
VoVo afgewezen. Slecht levensgedrag. Weigering bedrijfsactiviteitenvergunning.
Rechtbank Den Haag, 30 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20328 · Rechtbank Den Haag · 30 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-20328
Zaakgegevens
Op 30 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 april 2026
- Datum publicatie
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- SGR 26/2148
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20328
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
VoVo afgewezen. Slecht levensgedrag. Weigering bedrijfsactiviteitenvergunning.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2148
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. H. Yuce),
en
de loco-burgemeester van Den Haag, verweerder
(gemachtigden: mr. M.N.D. Snel en mr. J.J. Markerink).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de weigering van een bedrijfsactiviteitenvergunning.
Bij het bestreden besluit van 9 januari 2026 heeft verweerder de door eiser aangevraagde bedrijfsactiviteitenvergunning geweigerd. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt. Hangende het bezwaar heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 16 april 2026. Hierbij was verzoeker aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde en A. Zengin, die optrad als tolk. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker drijft sinds 2019 een supermarkt op de [adres] , onder de naam [handelsnaam] .
3. De [adres] ligt binnen een gebied, waarin volgens een bestuurlijke rapportage van de politie Den Haag de leefbaarheid, veiligheid en openbare orde ernstig onder druk staan. Verweerder heeft de [adres] en de omgeving daarom op 1 juni 2025 aangewezen als gebied waarbinnen een bedrijfsactiviteitenvergunning is vereist. Deze vergunningplicht is vanaf 1 oktober 2025 van kracht geworden.
4. Verzoeker heeft op 1 september 2025 een bedrijfsactiviteitenvergunning aangevraagd. Verweerder heeft deze bij besluit van 9 januari 2026 geweigerd. Volgens verweerder is verzoeker namelijk van slecht levensgedrag. Bovendien is volgens verweerder een wettelijke weigeringsgrond van toepassing, omdat verzoeker het Bibob-formulier niet naar waarheid zou hebben ingevuld, met het doel de vergunning te verkrijgen.
5. Begin februari 2026 heeft verzoeker de supermarkt gesloten.
Het verzoek
6. Verzoeker vraagt om schorsing van het bestreden besluit. Hij voert daartoe de volgende gronden aan.
Het oordeel dat verzoeker van slecht levensgedrag is berust niet op een zorgvuldige feitenvaststelling en is ondeugdelijk gemotiveerd. Verweerder baseert zich op feiten die niet behoorlijk zijn vastgesteld, althans verzoeker onvoldoende kunnen worden aangerekend. Er is geen aanleiding om verzoeker aan te merken als risico voor de openbare orde, veiligheid of het leefklimaat.
Daarnaast is de weigering onevenredig aan het daarmee te dienen doel van het tegengaan van ondermijning. De gestelde feiten zijn namelijk van te geringe ernst. Daarbij heeft de weigering zware gevolgen voor verzoeker, waarmee verweerder onvoldoende rekening houdt. Bovendien handelt verweerder in strijd met de rechtszekerheid.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
7. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.
8. De voorzieningenrechter stelt ambtshalve vast dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Het bestreden besluit heeft namelijk tot gevolg dat verzoeker zijn onderneming niet kan uitoefenen. Daarom zal de voorzieningenrechter beoordelen of de betrokken belangen er ook toe moeten leiden dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. Daarbij wordt ook bekeken of het bezwaar redelijke kans van slagen heeft, op basis van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
9. Het is verboden om zonder vergunning een bedrijf uit te oefenen binnen een door de burgemeester aangewezen gebied. Deze vergunning kan worden geweigerd als de exploitant van het bedrijf in enig opzicht van slecht levensgedrag is. De toepassing van het criterium ‘slecht levensgedrag’ is nader uitgewerkt in de Beleidsregel beoordeling levensgedrag Den Haag 2023.
10. In 2020 is vastgesteld dat in de supermarkt sigaretten ter verkoop werden aangeboden waarvan de accijnsheffing was ontdoken en daarvoor is een strafbeschikking opgelegd. Op 27 oktober 2025 hebben opsporingsambtenaren dezelfde overtreding vastgesteld. Daarnaast is in 2020 en op 27 oktober 2025 vastgesteld dat verzoeker vanuit zijn supermarkt sterke drank verkocht, zonder te beschikken over de verplichte vergunning voor een slijterijbedrijf. Verweerder heeft op grond van deze constateringen kunnen concluderen dat verzoeker van slecht levensgedrag is. Het gaat om meerdere wetsovertredingen, die direct verband houden met de handel vanuit de supermarkt en een aanwijzing vormen dat deze handel een rol speelt binnen ondermijnende criminaliteit in de wijk. In het licht van de uitdagingen die de politie heeft gesignaleerd op het gebied van de veiligheid, leefbaarheid en openbare orde in het gebied, zijn de feiten relevant en ernstig genoeg om zich te verzetten tegen toewijzing van een bedrijfsactiviteitenvergunning.
11. Dat verzoeker de Nederlandse taal in beperkte mate beheerst, maakt hem niet minder verwijtbaar, zoals hij vergeefs betoogt. Een beperkte taalbeheersing ontslaat een ondernemer niet van de verplichting zijn bedrijf uit te oefenen op een manier die strookt met de wettelijke regels.
12. Verweerder heeft ook betekenis mogen toekennen aan andere onregelmatigheden. De aanwezigheid van een vervalst elektriciteitszegel in het pand en de anonieme melding van een buurtbewoner over verkoopactiviteiten vanuit de auto van verzoeker, zijn voor de beslissing niet doorslaggevend, maar roepen verdere twijfels op over de betrouwbaarheid van verzoeker. Een en ander bevestigt het redelijk vermoeden van slecht levensgedrag, ook omdat verzoeker geen objectieve feitelijke gegevens heeft aangeleverd die een ander licht op deze incidenten kunnen werpen. Verder heeft verweerder mogen meewegen dat verzoeker voor een huiselijk geweldsincident is veroordeeld, waarbij ook voor dat feit geldt, dat het een ondersteunende en geen doorslaggevende betekenis heeft in de motivering.
13. Verweerder heeft zich gebaseerd op gegevens die door de politie zijn opgemaakt en vermeld in politieregistraties en door opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal. Hiermee heeft verweerder de relevante feiten dan ook voldoende zorgvuldig vastgesteld. Bij de besluitvorming heeft verweerder alle factoren die van belang zijn, in zijn beoordeling betrokken en tegen elkaar afgewogen, conform de toepasselijke beleidsregel. De door verzoeker benoemde financiële consequenties, zakelijk en privé, zijn normale gevolgen van de weigering. Van buitensporige benadeling is niet gebleken. Verweerder heeft voldoende gewicht toegekend aan de belangen van verzoeker. De voorzieningenrechter ziet dan ook onvoldoende grond om aan te nemen dat het bestreden besluit in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel en dat verweerder op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van de beleidsregel zou moeten afwijken.
14. Tot slot ziet de voorzieningenrechter geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang, dat op 27 oktober 2025, dus ruim na de gebiedsaanwijzing en ook nadat de vergunningplicht van kracht werd, is vastgesteld dat verzoeker onveraccijnsde sigaretten en sterke drank heeft verhandeld zonder slijtersvergunning. Het had verzoeker duidelijk moeten zijn dat de kans op het verkrijgen van een bedrijfsactiviteitenvergunning hiermee in het gedrang zou komen.
15. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen.
Conclusie en gevolgen
16. Het verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: