Bestuursrecht overig

Verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald en geen reden…

Rechtbank Den Haag, 3 februari 2026

Zaakgegevens

Op 3 februari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
3 februari 2026
Datum publicatie
6 februari 2026
Zaaknummer
26/62
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:2064
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald en geen reden opgegeven voor dit verzuim. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Overigens heeft verzoekster ook niet gereageerd op de ontvangstbevestiging, waarin haar is gevraagd om informatie te overleggen omdat haar verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden. Verzoek niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/62


uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2026 in de zaak tussen


[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

de burgemeester van Lisse, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het door verweerder aan haar zoon opgelegde gebiedsverbod. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.

Heeft verzoekster het griffierecht tijdig betaald?

2.1.

De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 7 januari 2026 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 9 januari 2026 om 11:30 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald.

Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?

2.2.

Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekster ook niet heeft gereageerd op de ontvangstbevestiging die haar op 7 januari 2026 per e-mail is gestuurd. Daarin is haar gevraagd om informatie te overleggen omdat het verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden. De ontvangstbevestiging is haar op 20 januari 2026 nogmaals per e-mail en per post gestuurd. Ook hierop heeft zij niet gereageerd.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.