Bestuursrecht overig

Rechtbank Den Haag · Voorlopige voorziening · Bestuursrecht overig

Rechtbank Den Haag, 3 april 2026

Zaakgegevens

Op 3 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
3 april 2026
Datum publicatie
14 april 2026
Zaaknummer
SGR 26/2901
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:9069
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ordemaatregel afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/2901


uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2026 inzake het verzoek om een tijdelijke ordemaatregel in de zaak tussen


[verzoekers sub 1] en [verzoekers sub 2] , uit [woonplaats] , verzoekers


en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Bassie).

Samenvatting

1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter gevraagd om een ordemaatregel te treffen totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op hun verzoek van 3 april 2026 om een voorlopige voorziening.

1.1.

De voorlopige voorzieningenprocedure houdt verband met een op 3 april 2026 ingesteld beroep (zaaknummer 26/2902) tegen een besluit op bezwaar van 1 april 2026. In dat besluit op bezwaar is verweerder gebleven bij zijn verkeersbesluit van 29 september 2025, waarin is bepaald dat een deel van de [straatnaam 1] , tussen de [straatnaam 2] en de [straatnaam 3] , wordt afgesloten voor autoverkeer.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

3. Verweerder heeft medegedeeld dat uitvoering zal worden gegeven aan het verkeersbesluit en dat de uitvoeringswerkzaamheden vanaf 7 april 2026 zullen aanvangen.

Daarom vragen verzoekers om een ordemaatregel die erop neerkomt dat deze werkzaamheden worden opgeschort zolang de voorzieningenrechter nog geen uitspraak heeft gedaan op het verzoek. Hierbij voeren verzoekers onder meer aan dat de werkzaamheden zullen leiden tot verstoring van het broedseizoen.

4. In reactie heeft verweerder toegelicht dat het college er belang bij heeft om de planning van de werkzaamheden voortvarend te laten verlopen, omdat het college anders het risico loopt dat de aannemer zich uit het project terugtrekt. Ook heeft verweerder aangegeven dat de werkzaamheden waarmee zal worden gestart louter van voorbereidende aard zijn. Het gaat om het verwijderen van tegels en trottoirbanden aan een kant van de [straatnaam 1] . Daarbij zal geen zand worden afgevoerd. Voordat met de werkzaamheden wordt gestart, zal een ecoloog bovendien de situatie ter plaatse in beeld brengen, met betrekking tot eventuele verstoring van het broedseizoen.

5. Gezien de toelichting van verweerder over de op korte termijn geplande werkzaamheden, komt het de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk voor dat gedurende de voorlopige voorzieningenprocedure moet worden gevreesd voor ernstige of onherstelbare gevolgen. De voorzieningenrechter ziet voor oplegging van een ordemaatregel vooralsnog dus geen reden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een tijdelijke ordemaatregel af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.