Omgevingsrecht
Beroep tegen weigering omgevingsvergunning voor het realiseren van 14 appartementen; bestreden besluit…
Rechtbank Den Haag, 17 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20771 · Rechtbank Den Haag · 17 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/omgevingsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-20771
Zaakgegevens
Op 17 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Datum publicatie
- 24 juli 2026
- Zaaknummer
- SGR 25/1007
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20771
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep tegen weigering omgevingsvergunning voor het realiseren van 14 appartementen; bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en berust niet op een draagkrachtige motivering; bezonning; aanhaakplicht van artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht; beroep gegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1007
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
Urban Interest Vastgoed B.V., uit Den Haag, eiseres
(gemachtigde: mr. J.A. Mohuddy),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. P. Yildirim).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van 14 appartementen op het woongebouw aan de [adres 1] . Eiseres is het niet eens met de weigering en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 14 appartementen op het woongebouw aan de [adres 1] .
Met het besluit van 25 november 2022 (het primaire besluit) heeft het college geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
Met het besluit van 30 december 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het college, onder aanvulling van de motivering hiervan, bij het primaire besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft nadere stukken overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door J.A.M. de Bruin, en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 3 september 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Feiten en omstandigheden
4. Eiseres is de eigenares van de zogenoemde [flat] in Den Haag. Eiseres is voornemens om 14 appartementen toe te voegen aan de [flat] door hierop een extra bouwlaag te realiseren. Zij heeft hiervoor een omgevingsvergunning aangevraagd. De gevraagde omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘bouwen’ en ‘handelen in strijd met het bestemmingsplan’, omdat het bouwplan de maximaal toegestane bouwhoogte van 33 meter overschrijdt. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat het bouwplan bij één woning in de omgeving – [adres 2] – voor te veel schaduw zorgt. Omdat het bouwplan daarmee niet voldoet aan de Haagse bezonningsnorm, is volgens het college geen sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Omvang van het geding
5. Het college heeft zich met het bestreden besluit – met overneming van het advies van de adviescommissie bezwaarschriften (de adviescommissie) – op het standpunt gesteld dat de aanvraag uitsluitend vanwege strijd met de Haagse bezonningsnorm is geweigerd. Nadat eiseres beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit, heeft het college hieraan toegevoegd dat het zich bij nader inzien niet kan vinden in de overwegingen van de adviescommissie met betrekking tot stikstof. Volgens het college heeft de adviescommissie ten onrechte overwogen dat het bouwplan in de bouw- en gebruiksfase geen significante effecten zal hebben op Natura 2000-gebieden. Omdat in dit geval niet tijdig een afzonderlijke natuurvergunning is aangevraagd, is volgens het college sprake van een verplicht aangehaakte aanvraag om een natuurvergunning en diende de omgevingsvergunning ook te worden geweigerd in verband met de stikstofdepositie als gevolg van de realisatie en het gebruik van het bouwplan.
6. Eiseres heeft voor de zitting een verklaring van de bewoonster van de woning Thorbeckelaan 368H van 28 mei 2026 overgelegd waaruit blijkt dat zij geen bezwaar heeft tegen de beperkte vermindering van de bezonning van haar woning. Volgens eiseres staat de Haagse bezonningsnorm hierdoor niet meer aan vergunningverlening in de weg. Eiseres betoogt verder dat in dit geval niet langer sprake is van een aangehaakte aanvraag om een natuurtoestemming. Dit is volgens eiseres het geval omdat op 19 mei 2026 alsnog een afzonderlijke aanvraag voor een natuurvergunning is ingediend. Volgens eiseres is de aanvankelijk aangehaakte aanvraag om een natuurtoestemming hiermee ontkoppeld van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwplan. De door het bouwplan veroorzaakte stikstofdepositie kan daarom volgens eiseres niet langer in de weg staan aan het verlenen van deze omgevingsvergunning.
Is het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd?
7. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Rosenburg”. De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben de bestemming “Centrum”. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het bouwplan de maximaal toegestane bouwhoogte van 33 meter overschrijdt.
Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.
Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover deze betrekking heeft op het afwijken van het bestemmingsplan, slechts worden verleend in de gevallen die in deze bepaling worden genoemd en indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
8. Eiseres voert – samengevat weergegeven – aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening wordt geacht. Volgens eiseres had het college beter moeten motiveren waarom in dit geval niet kon worden afgeweken van de Haagse bezonningsnorm, gelet op de zeer beperkte schaduwwerking van het bouwplan op het pand aan de Thorbeckelaan 368H.
De rechtbank stelt vast dat de adviescommissie in haar advies heeft overwogen dat het college in zijn besluitvorming alle relevante belangen dient mee te wegen. De adviescommissie is van mening dat uit het primaire besluit niet voldoende blijkt dat dit is gebeurd. Daaraan voegt de commissie wel toe dat deze belangenafweging wat haar betreft in het nadeel van eiseres dient uit te vallen.
Het college heeft het advies van de adviescommissie volledig overgenomen en hiernaar verwezen ter motivering van het bestreden besluit. Gelet op het door de adviescommissie geconstateerde gebrek in het primaire besluit, had het college hiermee niet mogen volstaan. Het advies van de adviescommissie bevatte immers een oproep aan het college om – zo begrijpt de rechtbank – aan de hand van de door de adviescommissie genoemde belangen nader te motiveren waarom het bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening werd geacht. De rechtbank volgt het college niet in het standpunt dat de adviescommissie deze belangenafweging in het advies reeds heeft gemaakt en dat daarbij kon worden aangesloten. De adviescommissie vindt weliswaar dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres zou moeten uitvallen, maar zij adviseert het college wel om de motivering hiervan in het bestreden besluit verder aan te vullen. Nu het college dit niet heeft gedaan maar heeft volstaan met het overnemen van het advies van de bezwaarschriftencommissie, is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust dit niet op een draagkrachtige motivering.
Het betoog slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep van eiseres is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, met uitzondering van de hierin aan eiseres toegekende dwangsom wegens het niet tijdig nemen van het bestreden besluit. Het college dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op dit nieuw te nemen besluit op bezwaar, overweegt de rechtbank het volgende.
In het nieuw te nemen besluit op bezwaar dient het college rekening te houden met de omstandigheid dat de bewoonster van de woning aan de Thorbeckelaan 368H inmiddels schriftelijk heeft verklaard dat zij geen bezwaar heeft tegen de beperkte vermindering van de bezonning van haar woning. Het nieuw te nemen besluit kan bovendien worden genomen zonder voorafgaande verklaring van geen bedenkingen van het college van gedeputeerde staten. Het staat immers vast dat eiseres inmiddels een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit heeft ingediend bij het college van gedeputeerde staten. Er is daarom bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar niet langer sprake van een aanhaakplicht voor de aanvraag om een natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 30 december 2024, behalve voor zover hierin aan eiseres een
dwangsom is toegekend wegens het niet tijdig nemen van dit besluit.
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van
deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.