Omgevingsrecht

Vovo tegen weigering omgevingsvergunning voor realiseren uitweg buiten-zitting afgewezen omdat niet is…

Rechtbank Den Haag, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
20 oktober 2026
Zaaknummer
SGR 26/7694
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30816
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo tegen weigering omgevingsvergunning voor realiseren uitweg buiten-zitting afgewezen omdat niet is voldaan aan het vereiste van materiële connexiteit. Wat verzoeker met zijn verzoek wil bereiken heeft geen betrekking op het door hem bestreden weigeringsbesluit. Zijn verzoek strekt ertoe dat de gemeente herinrichtingswerkzaamheden op de voorziene locatie van de uitweg staakt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/7694


uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 oktober 2026 in de zaak tussen


[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende zijn bezwaar tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een uitweg bij zijn woning aan [adres].

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.

Uit artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Dat betekent dat voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening vereist is dat tegen een besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter, en daarnaast dat wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken ook betrekking moet hebben op de inhoud van dat besluit.

2.2.

Verzoeker heeft in dit geval verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening hangende zijn bezwaar tegen het besluit van het college van 22 juni 2026. Dat besluit behelst de weigering van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een uitweg bij de woning van verzoeker. Uit zijn verzoek blijkt echter dat dit niet gericht is op het schorsen van dit weigeringsbesluit. Zijn verzoek strekt ertoe dat de gemeente herinrichtingswerkzaamheden op de voorziene locatie van de uitweg staakt, zodat geen feitelijke situatie ontstaat waarin het realiseren van een uitweg niet langer mogelijk is. Deze herinrichtingswerkzaamheden staan evenwel geheel los van het door verzoeker aangevochten weigeringsbesluit. Het college heeft bevestigd dat deze herinrichtingswerkzaamheden plaatsvinden in het kader van regulier onderhoud en beheer van de openbare ruimte en dat hiervoor geen besluit is afgegeven.

2.3.

Gelet op het voorgaande, heeft wat verzoeker met zijn verzoek wil bereiken geen betrekking op het door hem bestreden weigeringsbesluit. Dat betekent dat niet is voldaan aan het vereiste van materiële connexiteit. Het verzoek moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Vergelijk de uitspraak van de Voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep van 15 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:55.