Omgevingsrecht

vovo afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang

Rechtbank Den Haag, 19 juni 2026

Zaakgegevens

Op 19 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
19 juni 2026
Datum publicatie
22 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/3905
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:16897
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vovo afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/3905


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen


Bewonersvereniging [verzoekster] , te [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. G. Chkadua).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], te [plaats] , vergunninghouder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het vergroten en veranderen van de woning [adres] door het plaatsen van twee aanbouwen bij de voor- en achteringang en het plaatsen van een carport en garage/berging aan de vooringang en het zijgebouw.

1.1

Met het bestreden besluit van 31 maart 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.2

Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd.

1.3

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

1.4

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens verzoekster, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghouder.

1.5

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.

2.1

Op de zitting is gebleken dat de funderingswerkzaamheden voor de vergunde bouwwerken zijn afgerond en dat het vervolg van de bouwwerkzaamheden niet zal aanvangen vóór 1 januari 2027.

2.2

Het college heeft desgevraagd bevestigd dat het besluit op bezwaar vóór die tijd genomen zal zijn.

2.3

Onder die omstandigheden is geen sprake van een voldoende spoedeisend belang om thans een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.

3. De voorzieningenrechter ziet geen grond om het college te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht of om te bepalen dat het griffierecht door de griffier van de rechtbank aan verzoekster wordt terugbetaald, nu geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8:82, vierde of vijfde lid, van de Awb.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026 door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

griffier

voorzitter

En afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.