Socialezekerheidsrecht

Beroep ongegrond. Met directe uitbetaling per maand van een gedeelte van het vakantiegeld wordt niet…

Rechtbank Den Haag, 28 juli 2025

Zaakgegevens

Op 28 juli 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
28 juli 2025
Datum publicatie
20 oktober 2026
Zaaknummer
24/5953
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28192
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep ongegrond. Met directe uitbetaling per maand van een gedeelte van het vakantiegeld wordt niet afgeweken van de wettelijke systematiek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/5953

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2025 in de zaak tussen

drs. [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).


Procesverloop

Bij brief van 17 januari 2024 heeft verweerder aan eiser bericht dat met ingang van
1 januari 2024 wordt gestopt met reservering van 5% van de uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) als vakantiegeld. Het vakantiegeld wordt voortaan maandelijks uitbetaald. Tegen deze brief heeft eiser per email van 1 maart 2024 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 6 februari 2024 heeft verweerder aan eiser een specificatie gestuurd van zijn uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) over de maand januari 2024. Tegen deze brief heeft eiser per email van 17 maart 2024 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder, conform het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar tegen de beslissing om de reservering van vakantietoeslag vanaf 1 januari 2024 direct uit te betalen, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de gedingstukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2025. Eiser is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of verweerder het bezwaar van eiser terecht ongegrond heeft verklaard.

2. Eiser ontvangt sedert 1 mei 2018 een uitkering ingevolge de Pw ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Op die uitkering werd (onder meer) maandelijks een bedrag van 5% van de uitkering ingehouden als ‘reservering vakantietoeslag’. Met ingang van 1 januari 2024 is verweerder gestopt met deze reservering. Vanaf die datum wordt het vakantiegeld maandelijks uitbetaald. De uitkeringsspecificatie van januari 2024 vermeldt de uitbetaling van een ‘reservering vakantietoeslag’ van € 64,19.

3. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is een uitkeringsspecificatie alleen een besluit indien daarin een wijziging van de vaststelling van de uitkering plaatsvindt, bijvoorbeeld indien een ander of hoger bedrag op de uitkering wordt ingehouden. De rechtbank overweegt dat de uitkeringsspecificatie van januari 2024 een besluit behelst, nu daaruit blijkt dat op de uitkering niet langer een reservering van vakantiegeld van 5% wordt ingehouden. Verweerder heeft het bezwaar tegen die specificatie, en in samenhang daarmee tegen de brief van 17 januari 2024 waarin de wijziging werd aangekondigd, terecht inhoudelijk beoordeeld.

4. Wat eiser in beroep aanvoert komt erop neer dat de systematiek van de uitbetaling van vakantiegeld ten onrechte is gewijzigd. Volgens hem is vakantiegeld een jaarlijkse uitbetaling van twaalf aparte (maandelijkse) nabetalingen die elk horen bij de maand waarin dat deel van het vakantiegeld is opgebouwd. Eiser beroept zich ter ondersteuning van zijn standpunt op het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3068).

5. Het college heeft ter motivering van het bestreden besluit verwezen naar het advies van de commissie bezwaarschriften ISD Bollenstreek. In dat advies staat, kort gezegd, onder verwijzing naar de relevante bepalingen van de Pw, dat in de algemene bijstand een vakantietoeslag is inbegrepen ter hoogte van 5% van die bijstand. De vakantietoeslag kan per maand worden vastgesteld en betaald, ofwel jaarlijks in de maand juni over de aan die maand voorafgaande twaalf maanden. Met de directe uitbetaling per maand van een gedeelte van het vakantiegeld wordt volgens het college niet afgeweken van de wettelijke systematiek, omdat daaruit de hiervoor omschreven keuzemogelijkheid voortvloeit.

6. De rechtbank acht deze motivering juist. Wat eiser daartegen aanvoert leidt niet tot een ander oordeel. De verwijzing naar het genoemde arrest van de Hoge Raad gaat niet op. Het ging in de zaak die tot dat arrest leidde (kort gezegd) om de vraag of de maandelijkse aanspraak op een deel van het vakantiegeld diende te worden meegeteld bij het vaststellen van de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering(Rv). Uit dit arrest volgt niet dat periodieke uitbetaling van (een deel van) het vakantiegeld in strijd is met de bepalingen van de Pw.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Aangezien eiser in deze procedure is vrijgesteld van de betaling van griffierecht, hoeft verweerder geen griffierecht te vergoeden.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van

E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie ECLI:NL:CRVB:2019:3831