Socialezekerheidsrecht

Voorlopige voorziening. Wmo. Maatschappelijke opvang. Verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen…

Rechtbank Den Haag, 16 juli 2026

Zaakgegevens

Op 16 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
16 juli 2026
Datum publicatie
27 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/4894
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21030
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening. Wmo. Maatschappelijke opvang. Verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. Geen spoedeisend belang. Verzoeker mag in de gezinsopvang blijven tot er een plek in de reguliere opvang vrij komt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/4894


uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. A. Roozdar),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beëindiging van de gezinsopvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 4 juni 2026 heeft het college het recht op gezinsopvang beëindigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, H. Radi (tolk) en de gemachtigde van het college, vergezeld door. [naam].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?

3. Bij besluit van 29 januari 2024 is verzoeker samen met zijn minderjarige dochter toegelaten tot de maatschappelijke opvang voor gezinnen in [plaats]. In november 2025 is de ex-partner van verzoeker vanuit Libanon naar Nederland gekomen en is bij verzoeker in de gezinsopvang ingetrokken. Op 17 april 2026 zijn de ex-partner en dochter van verzoeker op een geheime locatie opgevangen nadat er een melding was gedaan bij Veilig Thuis. Sindsdien is de dochter van verzoeker niet meer teruggekeerd naar verzoeker in de gezinsopvang.

3.1.

Het college heeft met het bestreden besluit het recht op gezinsopvang beëindigd omdat er geen sprake is van een gezamenlijk huishouden met een minderjarig kind. Hierdoor is de grondslag voor plaatsing in de gezinsopvang komen te vervallen. De einddatum van de tijdelijke opvang is vastgesteld op 22 juni 2026.

3.2.

Verzoeker is het niet eens met dit besluit en wil met zijn verzoek bereiken dat zijn verblijf in de gezinsopvang wordt verlengd.

3.3.

Op 6 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en het college opgedragen om de het verblijf van verzoeker in de gezinsopvang te verlengen tot één dag na de zitting.

Is er spoedeisend belang?

4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.

4.1.

Verzoeker voert aan dat dat hij een spoedeisend belang heeft omdat hij binnenkort de gezinsopvang moet verlaten. Dit zal zeer nadelige gevolgen hebben voor zijn gezondheid en voor de band met zijn dochter. Zonder een plek in de gezinsopvang kan hij geen betekenisvolle omgang met zijn dochter hebben en dreigt zij op termijn uit zijn leven te verdwijnen. Dit is ook niet in het belang van zijn dochter.

4.2.

Uit de correspondentie tussen het college en verzoeker volgt dat het college aan verzoeker heeft aangeboden dat hij gebruik mag blijven maken van de gezinsopvang zolang de reguliere opvang op individuele basis nog niet voor handen is. De voorwaarden is dat verzoeker akkoord gaat met plaatsing in de reguliere opvang. Verzoeker heeft op 3 juli 2026 te kennen gegeven dat hij niet akkoord gaat met dit voorstel. De reden hiervoor is dat de reguliere opvang niet geschikt is voor hem vanwege zijn gezondheid. Voorts kan verzoeker zijn dochter niet ontvangen in de reguliere opvang.

4.3.

De voorzieningenrechter ziet hierin onvoldoende spoedeisend belang en zal daarom deze zaak niet inhoudelijk beoordelen. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat niet geoordeeld kan worden dat er momenteel sprake is van een acute situatie waardoor niet gewacht kan worden op een beslissing op bezwaar. Het staat vast dat eiser recht heeft op reguliere opvang. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college toegezegd dat verzoeker de gezinsopvang niet hoeft te verlaten zolang er nog geen plek voor hem is gevonden in de reguliere opvang. Verzoeker heeft zijn stelling dat hij vanwege zijn medische omstandigheden niet in de reguliere opvang kan verblijven niet onderbouwd. De stelling van verzoeker dat hij zijn dochter in de reguliere opvang niet kan ontvangen en dat overplaatsing de kans op betekenisvolle omgang verkleind, kan evenmin tot een ander oordeel leiden. De feitelijke situatie is op dit moment immers dat verzoeker geen omgang heeft met zijn dochter. Het college heeft daarom het belang van het vrijmaken van een plek in de gezinsopvang voor een gezin die dat op dit moment nodig heeft groter mogen achten dan het belang van verzoeker bij voortzetting van zijn verblijf in de gezinsopvang.

4.4.

Omdat een spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake van is.

Conclusie en gevolgen

5. Omdat het spoedeisend belang ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Dat betekent dat het bestreden besluit in ieder geval blijft gelden tot op het bezwaar is beslist. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.