Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 20 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21772 · Rechtbank Den Haag · 20 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21772
Zaakgegevens
Op 20 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 20 juli 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- 26/4695
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21772
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
voorlopige voorziening
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/4695
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juli 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. J.M. Eerkes)
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Verzoekster heeft op 29 april 2026 bij het college een melding gedaan voor huishoudelijke hulp en persoonlijke verzorging.
Op 9 juni 2026 heeft verzoekster het college in gebreke gesteld en heeft zij gevraagd om spoedeisende maatwerkvoorzieningen.
Op 12 juni 2026 heeft verzoekster bezwaar bij het college ingediend tegen de fictieve weigering om te beslissen op haar aanvraag van 29 april 2026.
Bij brief van 12 juni 2026, ondertekend op 22 juni 2026, heeft verzoekster de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen tegen de fictieve weigering van het college om een besluit te nemen.
Bij besluit van 22 juni 2026 heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van verzoekster om huishoudelijke hulp intensiteit basis ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
Bij besluit van 7 juli 2026 heeft het college beslist dat de ingebrekestelling prematuur is.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster medegedeeld dat het verzoek om een voorlopige voorziening ook ziet op het besluit van 22 juni 2026.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2026. Verzoekster (deelgenomen aan de zitting via Teams) is bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder was van het college aanwezig
[naam].
Na een korte schorsing heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Voordat kan worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, moet worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een geval als dat van verzoekster kan dat zo zijn wanneer sprake is van een (financiële) noodsituatie, welke het voor haar onevenredig bezwaarlijk maakt dat zij de beslissing in bezwaar af moet wachten.
2. Voor zover het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening betrekking heeft op de ingebrekestelling wijst de voorzieningenrechter dit verzoek wegens het ontbreken van een spoedeisend belang af. De voorzieningenrechter acht wel een spoedeisend belang aanwezig voor zover het verzoek betrekking heeft op huishoudelijke hulp en persoonlijke verzorging.
3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Ter zitting is naar voren gekomen dat de hulpvraag van verzoekster bestaat uit huishoudelijke hulp en hulp bij persoonlijke verzorging. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college onzorgvuldig en onvoldoende onderzoek gedaan naar de concrete ondersteuningsbehoefte van verzoekster. Zo is de hulpvraag onvoldoende in kaart gebracht doordat het college niet zelf heeft gekeken naar de huidige medische situatie van verzoekster en de omstandigheden waarin verzoekster leeft. Het college heeft alleen verwezen naar [zorginstantie] van wie verzoekster reeds op verschillende gebieden begeleiding krijgt en waarvan zij stelt dat dit onvoldoende is. Uit de overgelegde stukken lijkt te volgen dat de (medische) situatie van verzoekster er ten opzichte van het jaar 2024, toen zij op zichzelf kwam te wonen via [instantie], op achteruit is gegaan.
Gelet op het voorgaande, kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet gezegd worden dat het bezwaar op onderdelen geen redelijke kans van slagen heeft. Het college heeft de mogelijkheid om in de bezwaarfase onderzoek te verrichten en het gebrek te herstellen. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoekster met onmiddellijke ingang in aanmerking dient te worden gebracht voor huishoudelijke hulp met de intensiteit basis. Dit is anders voor wat betreft het verzoek om ook hulp bij persoonlijke verzorging (ADL) toe te kennen. Uit de thans aanwezige medische stukken in het dossier kan niet zonder meer worden opgemaakt of en welke hulp verzoekster specifiek op dit gebied nodig heeft. Verzoekster heeft ter zitting verklaard mee te zullen werken aan een Sociaal Medisch Advies (SMA). Het college kan mede aan de hand daarvan de concrete ondersteuningsbehoefte van verzoekster vaststellen.
5. Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert in dit geval 1 punt op voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 934,-.
6. De voorzieningenrechter wijst er op dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht dient te vergoeden van € 55,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoekster met onmiddellijke ingang huishoudelijke hulp met de intensiteit basis moet krijgen tot
6 weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;
-
bepaalt dat het college het griffierecht van € 55,- aan verzoekster moet vergoeden;
-
veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V.A. Paul, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
De griffier is buiten staat
het proces-verbaal mede
te ondertekenen
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze mondelinge uitspraak staat geen rechtsmiddel open.