Socialezekerheidsrecht
Vovo afgewezen. Buitenbehandelingstelling aanvraag Pw. Vwr mocht uitgaan van burgerlijke staat in BRP…
Rechtbank Den Haag, 7 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21988 · Rechtbank Den Haag · 7 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21988
Zaakgegevens
Op 7 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2026
- Datum publicatie
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- SGR 26/4971
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21988
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo afgewezen. Buitenbehandelingstelling aanvraag Pw. Vwr mocht uitgaan van burgerlijke staat in BRP. Verklaring onder ede huwelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/4971
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de buitenbehandelingstelling van verzoekers aanvraag om een bijstandsuitkering. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 4 mei 2026 heeft het college de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) buiten behandeling gesteld. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1], waarnemend kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoeker, tevens fungerend als tolk, en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek heeft betrekking op de buitenbehandelingstelling van een aanvraag om algemene bijstand, een vangnetvoorziening. Een dergelijk verzoek is naar zijn aard spoedeisend, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Daarvan is niet gebleken.
De buitenbehandelingstelling
4. Bij het bestreden besluit heeft het college de aanvraag van verzoeker buiten behandeling gesteld omdat verzoeker niet de gevraagde informatie over zijn echtgenote (identiteitsbewijs, bankafschriften en overzicht van bezittingen) of indien hij in scheiding ligt, bewijsstukken aan te leveren van de procedure dat hij een scheiding heeft aangevraagd, heeft overgelegd.
Een bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Dit volgt uit artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb). |
Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien de aanvrager onvoldoende gegevens of bescheiden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college bevoegd was om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Het volgende is van belang. Vaststaat dat in de Brp staat geregistreerd dat verzoeker op [datum] 2021 is gehuwd te [plaats], [land] met [naam 2], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats], [land]. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college bij de beoordeling van de aanvraag van verzoeker mag uitgaan van de juistheid van de burgerlijke staat zoals is geregistreerd in de Brp. Niet in geschil is dat verzoeker de gevraagde en benodigde gegevens met betrekking tot [naam 2] nog steeds niet heeft overgelegd. Dat sprake is van een religieus huwelijk en geen wettelijk huwelijk en hij al twee jaar geen contact heeft met [naam 2], zoals verzoeker ter zitting heeft toegelicht, maakt dit niet anders. Het college heeft ter zitting toegelicht dat bij nader onderzoek bij de afdeling Burgerzaken is gebleken dat de registratie van verzoekers huwelijk in de Brp niet tot stand is gekomen naar aanleiding van overgelegde brondocumenten maar naar aanleiding van een door verzoeker afgelegde verklaring onder eed (of belofte). Uit openbare bron is op te maken dat door een dergelijke verklaring onder ede (VOE) het – onder voorwaarden – mogelijk is om gegevens in de Brp te kunnen registreren zonder dat daarvoor een brondocument aanwezig is.
Het college heeft onweersproken gesteld dat verzoeker op 8 mei 2023, in aanwezigheid van een beëindigde tolk, tegenover een bevoegde ambtenaar van de gemeente Westerwolde (Ter Apel), onder ede (of belofte) heeft verklaard in het huwelijk te zijn getreden met [naam 2] op [datum] 2021 te [plaats], [land]. Verzoeker heeft weliswaar ter zitting verklaard dat hij een correctieverzoek wil indienen met betrekking tot de huwelijksregistratie in de Brp maar dat is vooralsnog een onzekere toekomstige gebeurtenis en kan in deze spoedprocedure niet betrokken worden.
5. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven na heroverweging in bezwaar, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening in deze procedure.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: