Socialezekerheidsrecht

NTB beroep, niet-ontvankelijk want onredelijk laat beroep.

Rechtbank Den Haag, 13 maart 2026

Zaakgegevens

Op 13 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
13 maart 2026
Datum publicatie
19 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/8593
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:5895
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

NTB beroep, niet-ontvankelijk want onredelijk laat beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/8593


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen


Stichting Voortgezet Onderwijs Haaglanden, uit Den Haag, eiseres

(gemachtigde: mr. R.W. Verheul),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het Uwv op het verzoek van eiseres van 11 september 2023 om de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van (ex-)werknemer [naam] te herbeoordelen.

1.1.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk-niet ontvankelijk is, omdat eiseres het beroepschrift onredelijk laat heeft ingediend. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

3. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zoals in deze zaak, is het niet aan een termijn gebonden. Het beroep is echter niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Als uitgangspunt geldt dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend als het is ingediend meer dan een jaar na het moment waarop het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

4. Op 11 september 2023 heeft eiseres haar verzoek om herbeoordeling ingediend. Het Uwv heeft dit verzoek op 13 september 2023 ontvangen. Omdat er binnen de wettelijke termijn geen beslissing op het verzoek werd genomen, heeft eiseres op 28 november 2023 een ingebrekestelling verstuurd naar het Uwv. Het Uwv heeft de ontvangst daarvan op 30 november 2023 bevestigd. Op 29 januari 2024 heeft het Uwv een dwangsombeschikking afgegeven.

5. Eiseres heeft op 2 december 2025 beroep tegen het niet tijdig beslissen ingesteld.

Dat is meer dan twee jaar na het aflopen van de wettelijke beslistermijn. Dat betekent dat het beroep in beginsel als onredelijk laat moet worden aangemerkt. Bijzondere omstandigheden kunnen hier verandering in brengen. Eiseres heeft na het versturen van de ingebrekestelling tot aan het moment van het instellen van beroep meer dan twee jaar geen actie ondernomen om een besluit op haar verzoek om herbeoordeling te verkrijgen. Het uitzicht op besluitvorming was ten tijde van het indienen van het beroepschrift dus al geruime tijd verloren gegaan. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

6. Het beroep is gezien het voorgaande kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

De rechtbank verwijst naar artikel 6:12, eerste lid, van de Awb, in samenhang met het vierde lid van dat artikel. Hoge Raad 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:711, r.o. 3.3.2.