Socialezekerheidsrecht
Vovo. Art. 83, derde lid, van de Awb. Boetebesluit. Inning van de boetes aangehouden. Geen spoedeisend…
Rechtbank Den Haag, 30 januari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:9375 · Rechtbank Den Haag · 30 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-9375
Zaakgegevens
Op 30 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 januari 2026
- Datum publicatie
- 17 april 2026
- Zaaknummer
- 26/84
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9375
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo. Art. 83, derde lid, van de Awb. Boetebesluit. Inning van de boetes aangehouden. Geen spoedeisend belang. Afwijzing verzoek.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/84
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
en
het CAK, verweerder
(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het boetebesluit van verweerder. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 8 september 2025 aan eiseres een boete opgelegd ter hoogte van € 528,- omdat zij geen Nederlandse zorgverzekering heeft afgesloten. Met het bestreden besluit van 27 november 2025 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij dit besluit gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verweerder heeft op 15 januari 2026 bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) verzocht om (voorlopige) aanhouding van de inning van de boete(s) hangende het onderzoek van de Sociale Verzekeringsbank ten aanzien van het verzoek van verzoekster om ontheffing van de verzekeringsplicht. Dit betekent dat verweerder de uitvoering van het besluit heeft opgeschort. Het CJIB heeft bevestigd dat de inning van de boetes wordt aangehouden. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: