Vreemdelingenrecht
Beroep ongegrond. Bezwaar terecht kennelijk niet ontvankelijk want niet tijdig ingediend
Rechtbank Den Haag, 14 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22680 · Rechtbank Den Haag · 14 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbdha-2026-22680
Zaakgegevens
Op 14 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 14 augustus 2026
- Datum publicatie
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- 26-3635
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22680
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep ongegrond. Bezwaar terecht kennelijk niet ontvankelijk want niet tijdig ingediend
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/3635
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] uit Groningen, eiser
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: Mohammad Najafi),
en
de minister van Buitenlandse Zaken
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de kennelijk niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaarschrift van eiser, gericht tegen de afwijzing van zijn visumaanvraag. Eiser is het er niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 27 mei 2025 verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf met als doel familiebezoek (bij zijn zus, zwager [de man] en neefje). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 15 juli 2025 afgewezen. Op 15 september 2025 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.
Met het bestreden besluit van 4 februari 2026 op het bezwaar van eiser heeft de minister het bezwaarschrift kennelijk-niet ontvankelijk verklaard. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser tot en met 15 augustus 2025 een bezwaarschrift kon indienen. Eiser heeft niet tijdig bezwaar ingediend. De Nederlandse vertegenwoordiging te Teheran heeft aan de minister bevestigd dat de uitreiking heeft plaatsgevonden op 17 juli 2025, onderbouwd met uitreikingsstempels de dato 17 juli 2025. Het bezwaarschrift van eiser is niet binnen de wettelijke termijn ingediend. Redelijkerwijs kan niet worden geoordeeld dat eiser niet in verzuim is geweest.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Daarop heeft eiser gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser, de referent, is niet verschenen. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Standpunt van eiser
3. Eiser stelt dat het besluit van 15 juli 2025 pas op 17 augustus 2025 aan hem is uitgereikt. Gedurende de periode juli-augustus 2025 was sprake van verstoring en tijdelijke sluiting van de consulaire diensten wegens veiligheidsomstandigheden in de regio. Het besluit is niet in juli 2025 aan eiser bekendgemaakt. Het bezwaarschrift van 15 september 2025 is dus tijdig ingediend.
Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat voor zover sprake zou zijn van termijnoverschrijding, niet kan worden gesteld dat eiser in verzuim was. De latere ontvangst van het besluit was het directe gevolg van verstoringen bij de consulaire diensten. Feitelijk heeft eiser pas veel later kennis genomen van het besluit. De externe veiligheidsomstandigheden liggen buiten de invloedssfeer van eiser. Daarnaast bevond het gezin van referent zich gedurende de relevante periode in uitzonderlijke medische en psychische omstandigheden, waaronder een acute medische noodsituatie in oktober 2025 waarvoor ambulance- en ziekenhuisopname noodzakelijk was. Tot slot is bij eiser door de minister het vertrouwen gewekt dat het bezwaar inhoudelijk zou worden beoordeeld. Een plotselinge niet-ontvankelijkverklaring zonder enige waarschuwing is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
Toetsingskader
4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt, in een zaak als deze, een termijn van vier weken. Deze termijn begint op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Bekendmaking van besluiten aan de belanghebbende vindt plaats door toezending of uitreiking aan hen of op een andere geschikte wijze. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of, bij verzending per post, als het voor het einde van de termijn per post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar
niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet op tijd indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank stelt allereerst vast op welke datum het besluit aan eiser is uitgereikt. Vervolgens beoordeelt de rechtbank, indien sprake is van termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaar, of daarvoor verschoonbare redenen bestaan.
Uit het dossier blijkt dat op meerdere data stempels op documenten zijn gezet. Er zijn zowel stempels van 17 juli 2025, 17 augustus 2025 als van 18 augustus 2025. De rechtbank kan niet vaststellen of de door eiser aangehaalde stempel van 17 augustus 2025 feitelijk wel op de envelop is geplaatst, of dat deze is geplaatst op een aan de envelop gehecht memo. Daar komt bij dat uit het in het dossier opgenomen overzicht blijkt dat op
15 juli 2025 de status van de aanvraag door de minister is gewijzigd van ‘geautoriseerd’ naar ‘uitgereikt’. Er zijn onvoldoende redenen om te twijfelen aan de namens de minister gevoerde administratie, zeker nu uit een verklaring van een medewerker van de Nederlandse vertegenwoordiging in Teheran blijkt dat het besluit is uitgereikt op 17 juli 2025. Doorslaggevend voor de rechtbank is echter dat uit het dossier blijkt dat de echtgenote van referent, zus van eiser, reeds op 7 augustus 2025 op de hoogte was van de inhoud van het besluit, nu zij op die datum een bezwaarschift indiende. De stelling van referent dat eiser eerst op 17 augustus 2025 op de hoogte zou zijn gekomen van (de inhoud van) het besluit treft reeds om die reden geen doel. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het besluit op of omstreeks 15 juli 2025, althans voor 7 augustus 2025, aan eiser bekendgemaakt is.
Het voorgaande betekent dat het bezwaarschrift van 15 september 2025 te laat is ingediend. Daarvoor heeft eiser geen verschoonbare redenen gegeven. Immers, wat er ook zij van de onrust in de regio en de verstoring van de consulaire dienstverlening als gevolg van de veiligheidsomstandigheden, vast staat dat de inhoud van het besluit reeds op
7 augustus aan eiser en zijn zus bekend was. De medische en psychische problematiek waar de referent naar verwijst, inclusief de ziekenhuisopname, deed zich voor na afloop van de periode waarbinnen bezwaar gemaakt kon worden en kan om die reden ook niet leiden tot verschoonbaarheid. Gegeven deze omstandigheden heeft de minister kunnen afzien van het horen van eiser en/of referent.
Conclusie en gevolgen
6. Het besluit is op of omstreeks 15 juli 2025, althans voor 7 augustus 2025, aan eiser bekendgemaakt. Eiser heeft niet tijdig bezwaar gemaakt en heeft daarvoor geen goede reden gegeven. De minister heeft het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen en eiser krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr.S. Derks, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: