Procesverloop
Procesverloop
De minister heeft op 4 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop weer een reactie ingebracht.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2002] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 juni 2026 (in de zaak NL26.31371) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het
voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. In beginsel is het zicht op uitzetting naar Algerije aanwezig. Het dossier geeft geen indicaties dat dit beginsel voor eiser niet zou opgaan. Ten behoeve van zijn uitzetting heeft de minister op 10 juni 2026 een laissez passer (lp) aangevraagd bij de Algerijnse autoriteiten. Het onderzoek in dat verband loopt nog. De enkele omstandigheid dat de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op deze aanvraag, leidt niet tot het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De beroepsgrond faalt.
Voortvarend handelen
5. Uit het voortgangsrapport van 14 juli 2026 blijkt dat de minister op 26 juni 2026 heeft gerappelleerd naar aanleiding van de lp-aanvraag. Verder heeft de minister op 8 en 29 juni 2026 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Gelet op de duur van de maatregel tot nu toe, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de minister méér of andere handelingen had kunnen en moeten verrichten die de uitzettingsprocedure hadden kunnen versnellen. Daar geldt dat de minister voor het plannen van een presentatie van eiser bij de Algerijnse autoriteiten afhankelijk is van de werkwijze van die autoriteiten. Verder is van belang dat eiser de plicht heeft om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Eiser moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser (in voldoende mate) invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel
6. Met betrekking tot de stelling van eiser dat ten aanzien van hem volstaan kan worden met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 5 van haar uitspraak van 17 juni 2026 (in de zaak NL26.31371). Eiser heeft in dit verband geen nieuwe of andere feiten en omstandigheden gesteld. Aangezien de gronden van de maatregel van bewaring onverkort aanwezig zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Belangenafweging
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen feiten of omstandigheden aangevoerd die, gelet op de duur van de maatregel van bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om de bewaring bij een afweging van de belangen thans op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.