Vreemdelingenrecht
Afhankelijkheidsrelatie. Arrest K.A. Beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 12 maart 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:4620 · Rechtbank Den Haag · 12 maart 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-rbdha-2021-4620
Zaakgegevens
Op 12 maart 2021 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 12 maart 2021
- Datum publicatie
- 4 mei 2021
- Zaaknummer
- AWB20/7184
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2021:4620
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afhankelijkheidsrelatie. Arrest K.A. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/7184
V-nummer: [#]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen
[naam], eiseres,
gemachtigde: mr. K.L. Sett
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
gemachtigde mr. M. Lorier.
Procesverloop
Bij besluit van 13 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.
Bij besluit van 28 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2021. Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen G.S. Nie. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en meteen mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar terecht geconcludeerd dat niet is aangetoond dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen eiseres en haar meerderjarige zoon dat deze feitelijk gedwongen zal zijn om het grondgebied van de Unie te verlaten wanneer aan eiseres geen verblijfsrecht wordt aangenomen.
2. Verweerder heeft daarbij terecht de meerderjarigheid van de zoon betrokken. Uit het arrest K.A. van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat in dat geval alleen in zeer uitzonderlijke situaties waarin de burger van de Unie op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is een afgeleid recht op verblijf voor dit familielid ontstaat.
3. De bewijslast van het bestaan van een dergelijke uitzonderlijke situatie ligt in de eerste plaats bij eiseres. In dit verband heeft zij een reeks schriftelijke verklaringen van derden overgelegd die zijn beoordeeld door verweerder. Het betreft verklaringen van personen uit de directe omgeving van eiseres die op haar verzoek zijn opgesteld en dus niet afkomstig zijn uit een objectief verifieerbare bron. Er kan verder niet worden vastgesteld dat één van hen een in dit verband relevante deskundigheid bezit. Dat betekent dat aan die verklaringen niet de waarde kan worden gehecht die eiseres daaraan toekent.
4. Voor wat betreft de verklaringen ter zitting dat de zoon van eiseres last heeft van voedselallergie en psychische klachten, geldt dat die verklaringen niet worden ondersteund door enig objectief bewijs. De gestelde omstandigheden leiden dan ook evenmin tot de conclusie dat sprake is van de bedoelde uitzonderlijke situatie.
5. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat eiseres geen afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake Chavez-Vilchez.
6. Verweerder heeft kunnen afzien van horen in bezwaar gelet op wat er in het primaire besluit is vastgesteld en wat daar in bezwaar tegen is ingebracht.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.M.L. van der Kammen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2021.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.