Vreemdelingenrecht
Asiel, Senegal, eiser is met onbekende bestemming vertrokken, MOB, beroep niet ontvankelijk, mondelinge uitspraak
Rechtbank Den Haag, 31 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21395 · Rechtbank Den Haag · 31 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-rbdha-2026-21395
Zaakgegevens
Op 31 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 31 juli 2026
- Datum publicatie
- 31 juli 2026
- Zaaknummer
- 26.10742
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21395
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Asiel, Senegal, eiser is met onbekende bestemming vertrokken, MOB, beroep niet ontvankelijk, mondelinge uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10742
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Senegalese nationaliteit,
V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Meijerink),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
Inleiding
1. Bij besluit van 25 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
2. De minister heeft de rechtbank op 28 mei 2026 bericht dat eiser op 20 mei 2026 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken.
3. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 28 mei 2026 en op 7 juli 2026 gevraagd of hij nog contact met eiser onderhoudt. De gemachtigde van eiser heeft hier op
16 juli 2026 op gereageerd en aangegeven dat zij geen contact meer heeft met eiser.
4. De minister stelt zich op het standpunt dat bovenstaande maakt dat er niet langer sprake is van procesbelang, en dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog een concreet en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een vreemdeling, die een asielaanvraag heeft ingediend, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in principe vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt.
In dit geval heeft eiser zich niet opnieuw gemeld voor opvang, heeft hij de minister en de gemachtigde niet op de hoogte gesteld van zijn verblijfsplaats en heeft hij ook geen contact meer met zijn gemachtigde. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026 door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen - Postma, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.