Vreemdelingenrecht

Voorlopige voorziening visum kort verblijf voor bijwonen bevalling. Naar het oordeel van de…

Rechtbank Den Haag, 23 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
23 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.54169
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31534
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening visum kort verblijf voor bijwonen bevalling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er sprake van een zwaarwegend spoedeisend belang bij het verzoek om een voorlopige voorziening. De rechtbank is van oordeel dat er sterk getwijfeld kan worden aan de vraag of het primaire besluit rechtmatig is. Voorlopige voorziening wordt toegewezen en draagt verweerder op verzoeker te behandelen als ware hij in het bezit van een visum voor kort verblijf voor de maximale duur.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.54169

V-nummer: [V-nummer]

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1994, van Surinaamse nationaliteit, verzoeker,

(gemachtigde: mr. V. Sarkisian)

en

de minister van Buitenlandse zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt)

Inleiding

1. Bij besluit van 8 september 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de

aanvraag van verzoeker voor de verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen. Verzoeker heeft op 14 september 2026 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Op diezelfde datum heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter zelf in de zaak te voorzien en verzoeker te behandelen als ware in het bezit van een visum kort verblijf, dan wel verweerder op te dragen uiterlijk
30 september 2026 een beslissing te nemen op het bezwaarschrift.

1.1.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 oktober 2026 op zitting behandeld. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen mevrouw [partner] (referente). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

1.3.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en draagt op verweerder te behandelen als ware hij in het bezit van een visum voor kort verblijf voor de maximale duur, onder de voorwaarden dat verzoeker een retourticket voor zijn reis van Suriname naar Nederland toont, onder oplegging van een wekelijkse meldplicht aan verzoeker bij een door verweerder aan te wijzen instantie in Nederland belast met het toezicht op vreemdelingen en een eenmalige meldplicht bij de Nederlandse ambassade binnen 48 uur na terugkeer en onder de bepaling dat verzoeker zijn paspoort bij een door verweerder aan te wijzen instantie in bewaring zal geven;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1.868,-.

Overwegingen

2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat de verzochte voorziening een voorlopig karakter mist, omdat toewijzing ervan alleen als uitkomst heeft dat verzoeker Nederland mag inreizen, wat in het kader van de visumprocedure ter beoordeling van verweerder staat. Een dergelijk verzoek zal daarom alleen in uitzonderlijke gevallen voor toewijzing in aanmerking kunnen komen, namelijk in die gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek in verhouding tot het belang van verweerder bij de handhaving van die afwijzing zó onevenredig zijn, dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. Voor een dergelijke vergaande beslissing is in principe alleen plaats indien een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit.

2.2.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond en besluitvorming

3. Verzoeker woont momenteel in Suriname. Zijn partner [partner] , tevens referente, is zwanger van hem en is uitgerekend op [datum] 2026. Op 21 juli 2026 heeft verzoeker een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) bij referente ingediend. Verweerder heeft die aanvraag bij besluit van 31 augustus 2026 afgewezen. Verzoeker heeft tegen deze afwijzing bezwaar ingediend. Omdat verzoeker graag bij de bevalling en de eerste maanden van hun kind aanwezig wil zijn, heeft hij op
20 augustus 2026 een visum voor kort verblijf gevraagd voor bezoek bij referente in de periode van [periode] .

Toetsingskader

4. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond, niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken of indien redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum (oftewel het vestigingsgevaar). Bij de beoordeling hiervan heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge.

4.1.

Voor de beoordeling van het vestigingsgevaar betrekt verweerder de sociale en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Bij de sociale binding houdt verweerder rekening met bijvoorbeeld familieleden waarvoor de aanvrager zorgdraagt, die zonder zorg komen te zitten als de aanvrager niet terugkeert. Bij de economische binding houdt verweerder rekening met bijvoorbeeld duurzame en substantiële inkomsten die de aanvrager verliest als hij of zij niet terugkeert. Deze binding moet worden onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken. Hierbij geldt dat sociale en economische binding communicerende vaten zijn; een door stukken onderbouwde sterke economische binding kan bijvoorbeeld een minder sterke sociale binding compenseren en andersom. Op basis daarvan komt verweerder tot een conclusie over de vraag of redelijke twijfel bestaat over tijdige terugkeer naar het land van herkomst. De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen.

Spoedeisend belang

5. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een spoedeisend belang in de zin van artikel 8:81 Awb. Referente is uitgerekend op [datum] 2026. Verzoeker wenst zo spoedig mogelijk naar referente te reizen om in ieder geval aanwezig te kunnen zijn bij de laatste fase van de zwangerschap en de bevalling.

5.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het zwaarwegend spoedeisend belang ontbreekt. Om verzoeker te behandelen als ware in het bezit van een visum kort verblijf is een vergaande voorziening nodig die alleen in zeer bijzondere omstandigheden voor toewijzing in aanmerking komt. Daarvan is sprake wanneer de nadelige gevolgen van het afwachten van de beslissing op bezwaar, afgezet tegen het belang van verweerder bij handhaving van het primaire besluit, zo onevenredig zijn dat die beslissing niet kan worden afgewacht. Op basis van de overgelegde stukken is volgens verweerder niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de aanwezigheid van verzoeker rond de bevalling noodzakelijk is en de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.

5.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er sprake van een zwaarwegend spoedeisend belang bij het verzoek om een voorlopige voorziening. Referente is zwanger en staat op het punt om te bevallen. Het bijwonen van de bevalling van verzoeker zijn eerste kind en de eerste maanden na de geboorte is een zeer belangrijke gebeurtenis die hij nooit meer over kan doen. Daarmee is de spoedeisendheid gegeven.

Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?

6. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, omdat verzoeker een sterke economische binding heeft met Suriname. Verzoeker is eveneens bereid vergaande en controleerbare toezeggingen te doen om iedere eventuele twijfel over zijn voornemen tot tijdige terugkeer weg te nemen.

6.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, omdat er redelijke twijfel bestaat of verzoeker op tijd het grondgebied gaat verlaten. Verweerder stelt in het verweerschrift dat het doel en omstandigheden van het verblijf voldoende zijn aangetoond. Volgens verweerder is er echter geen sociale en economische binding voor verzoeker met Suriname. Verzoeker is 31 jaar en ongehuwd, en zijn partner verwacht in Nederland hun eerste kind. Daarnaast heeft verzoeker wel een werkgeversverklaring en loonstroken overgelegd, maar blijken uit de overgelegde bankafschriften geen salarisstortingen. Daarnaast blijkt uit de stukken niet dat verzoeker gedurende de voorgenomen reisperiode verlof is verleend en dat hij zijn werkzaamheden op een concrete datum moet hervatten.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat er sterk getwijfeld kan worden aan de vraag of het primaire besluit rechtmatig is.

6.3.

De rechtbank stelt vast dat de sociale binding niet in geschil is. De sociale binding van verzoeker met Suriname is namelijk minder sterk dan de sociale binding met Nederland, nu zijn partner en toekomstig kind in Nederland zullen verblijven.

6.4.

Verder stelt de rechtbank vast dat er wel sprake is van een economische binding. Verzoeker is werkzaam bij het [bedrijf] . Uit de overgelegde loonstroken over de periode van mei, juni en juli 2026 blijkt dat hij een bovengemiddeld salaris heeft. Daarbij heeft hij deze baan aannemelijk gemaakt door het overleggen van een werkgeversverklaring en de loonstroken over de periode van mei tot en met juli 2026. De stelling van verweerder dat verzoeker zijn economische binding met Suriname niet aannemelijk heeft gemaakt omdat uit de overgelegde bankafschriften niet blijkt dat het loon ook daadwerkelijk gestort is, wordt niet gevolgd. Ook de eis dat geen informatie is overgelegd over het verlof dat verzoeker opneemt om naar Nederland te reizen wordt niet gevolgd. Beide aspecten zijn niet vereist voor een aanvraag voor een visum kort verblijf. Door dergelijke documenten wel te vereisen, wijkt verweerder af van zijn eigen regelgeving en legt daarmee de lat hoger dan vereist is. Zo blijkt uit de vragenlijst visum enkel dat het vereist is om een kopie van de arbeidsovereenkomst en loonstroken/salarisspecificaties van de laatste drie maanden in te dienen. Ook uit de website van Nederland Wereldwijd blijkt dat er onder andere gevraagd wordt naar een werkgeversverklaring, arbeidsovereenkomst of een verklaring van tewerkstelling, samen met bankafschriften óf loonstroken van de afgelopen drie maanden.

6.5.

Ook het standpunt van verweerder over het vestigingsgevaar volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdig zal terugkeren naar Suriname. Er is immers sprake van een economische binding. Daarnaast is verzoeker bereid om een retourticket te tonen, aan een wekelijkse meldplicht te voldoen, zijn paspoort in bewaring te geven, en aan een eenmalige meldplicht bij terugkomst in Suriname te voldoen. Daar komt bij dat, zodra het kind geboren is, verzoeker van rechtswege in aanmerking kan komen voor een Chavez-verblijfsrecht. Ook dit maakt dat het vestigingsgevaar minder aanwezig is. Tot slot overweegt de rechtbank dat uit de ingediende mvv-aanvraag blijkt dat verzoeker juist de officiële weg wil volgen om legaal langer verblijf in Nederland te verkrijgen.

7. Omdat het verzoek wordt toegewezen veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de door verzoeker gemaakte griffie- en proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Wassink, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Algemene wet bestuursrecht. Dit staat in artikel 32, eerste lid, onder a, onderdeel ii, iii en onder b, van de Visumcode (Verordening (EG) nr. 810/2009). Dit volgt uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van
19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.
Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354.