Vreemdelingenrecht

Proceskostenveroordeling na intrekken beroep.

Rechtbank Den Haag, 28 augustus 2025

Zaakgegevens

Op 28 augustus 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
28 augustus 2025
Datum publicatie
28 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.23507
Procedure
Proceskostenveroordeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:16103
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proceskostenveroordeling na intrekken beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.23507


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam], V-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. F. van Dijk),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: B.H. Wezeman)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van de minister van 17 februari 2022. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat de minister op 23 juli 2025 dit besluit heeft vervangen door een aanvullend besluit.

1.1.

De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen een proceskostenveroordeling van € 907,-.

1.2.

De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.


Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.

4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de minister geheel aan verzoekster is tegemoetgekomen. De rechtbank wijst het verzoek daarom als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt, anders dan de minister stelt, € 2.721,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend, op 31 mei 2022 ter zitting is verschenen, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld een nadere reactie heeft gegeven op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad

van State van 28 mei 2021 en op 13 april 2023 een nadere zitting heeft plaatsgevonden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.


Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

ECLI:NL:RVS:2021:1145.