Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag · Proceskostenveroordeling · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 18 februari 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:2288 · Rechtbank Den Haag · 18 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/proceskostenveroordeling/ecli-nl-rbdha-2025-2288
Zaakgegevens
Op 18 februari 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 18 februari 2025
- Datum publicatie
- 18 februari 2025
- Zaaknummer
- NL23.31715
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- ProceskostenveroordelingProceskostenveroordelingDe partij die de zaak verliest, moet (een deel van) de proceskosten van de andere partij betalen.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2288
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
pkv, vovo
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31715
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoekster,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten.
Verzoekster heeft bezwaar ingediend tegen het besluit van 7 september 2023 waarin de minister van oordeel is dat verzoekster niet valt onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55 EG). Op 5 oktober 2023 heeft verzoekster om een voorlopige voorziening gevraagd.
Bij besluit van 15 april 2024 heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard.
Verzoekster heeft vervolgens het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en daarbij verzocht de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek. De minister heeft de rechtbank laten weten bereid te zijn de proceskosten aan verzoekster te vergoeden.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
3. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift tegemoet is gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
4. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister in het besluit van 15 april 2024 tegemoetgekomen aan de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening.
5. De minister heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt geteld dat het besluit van 7 september 2023 is herroepen wegens een aan haar te wijten onrechtmatigheid. Ook ter zake van het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening geeft de minister bij brief van 13 februari 2025 aan bereid te zijn de proceskosten van € 907,- aan verzoekster te vergoeden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe tot een bedrag van
€ 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.