Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag · Uitspraak na prejudiciële beslissing · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31532 · Rechtbank Den Haag · 26 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/uitspraak-na-prejudiciele-beslissing/ecli-nl-rbdha-2026-31532
Zaakgegevens
Op 26 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 26 oktober 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.25021
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Uitspraak na prejudiciële beslissingPrejudiciële vragenEen rechter legt een rechtsvraag voor aan een hogere rechter – zoals het Hof van Justitie van de EU of de Hoge Raad – om een zaak te kunnen beslissen.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31532
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bnt asiel
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25021
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam],
V-nummer: [nummer]
[naam],
V-nummer: [nummer]
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: H.J. Janse),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 11 september 2023.
2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.In een eerdere procedure heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eisers gegrond verklaard en de minister moest binnen vier weken een besluit nemen op de asielaanvragen. Dat heeft de minister niet gedaan en eisers hebben vervolgens beroep ingesteld.
4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.
5. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een korte beslistermijn passend is. In dit geval heeft een nader gehoor plaatsgevonden. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van twee weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
6. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
7. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 50,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister twee weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers een dwangsom verschuldigd.
9. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
-
draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
-
bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een
maximum van € 15.000,-; -
veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening.