Vreemdelingenrecht

beroep niet tijdig, asiel, niet-ontvankelijk

Rechtbank Den Haag, 7 januari 2025

Zaakgegevens

Op 7 januari 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
7 januari 2025
Datum publicatie
7 januari 2025
Zaaknummer
NL24.43163
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:155
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

beroep niet tijdig, asiel, niet-ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.43163


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. B. de Haan),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 15 juli 2023.

  2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.

4. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald, dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend, zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken, nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

5. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Op grond van artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw is de termijn met negen maanden verlengd. De rechtbank stelt vast dat de verlenging van deze beslistermijn niet in geschil is, nu eiser hier in de ingebrekestelling van 14 oktober 2024 zelf van uit gaat en in de beroepsgronden daar niet op terug komt. Dit betekent dat de minister, volgens de wettelijke beslistermijn, uiterlijk
15 oktober 2024 een beslissing op de aanvraag had moeten nemen.

6. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de ingebrekestelling van
14 oktober 2024 prematuur is ingediend. Het feit dat eiser in het beroepschrift uitgaat van een door de minister aangegeven beslisdatum, te weten 11 oktober 2024, maakt niet dat niet van de wettelijke termijn zou moeten worden uitgegaan. Gelet op het voorgaande voldoet het beroep niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

7. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van I. Nauta, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.