Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag · Vereenvoudigde behandeling · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 15 april 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:6212 · Rechtbank Den Haag · 15 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/vereenvoudigde-behandeling/ecli-nl-rbdha-2025-6212
Zaakgegevens
Op 15 april 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 15 april 2025
- Datum publicatie
- 15 april 2025
- Zaaknummer
- 24.41336 en 24.43640
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Vereenvoudigde behandelingVereenvoudigde behandelingDe bestuursrechter beslist zonder zitting, omdat de uitkomst duidelijk is. Wie het er niet mee eens is, kan in verzet gaan.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6212
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
bnt, asiel, samenhang
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.41336 en NL24.43640
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam],
V-nummer: [nummer],
[naam],
V-nummer: [nummer],
tezamen: eiseressen
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eiseressen hebben ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvragen van 20 juli 2023.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt. Partijen hebben hier mee ingestemd, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en het beroep dus niet heeft behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Zijn de beroepen ontvankelijk en gegrond?
2. De minister moet in dit geval uiterlijk binnen zes maanden na het ontvangen van de aanvragen beslissen. De minister heeft deze termijn met negen maanden verlengd.De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Eiseressen hebben de minister, na het verstrijken van deze termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan en eiseressen hebben vervolgens afzonderlijk beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem en Zwolle, heeft op 3 juni 2024 en 9 oktober 2024 in eerdere procedures (NL24.18418 en NL24.18061) uitspraak gedaan op beroepen niet tijdig beslissen. Thans wordt uitspraak gedaan in de opvolgende beroepen van eiseressen.
3. Niet in geschil is dat de beslistermijn is verstreken. De beroepen zijn ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvragen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’.
5. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen zoals deze, waarin met het opleggen van een beslistermijn volgens het ‘8+8 wekenmodel’ de bovengrens van 21 maanden wordt overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van acht weken na het verstrijken van de termijn van 21 maanden een besluit moet nemen. Dat is op 15 juni 2025. De rechtbank overweegt dat de minister binnen deze termijn op zorgvuldig wijze een besluit kan nemen. Daarbij overweegt de rechtbank dat deze termijn niet onnodig lang en niet onrealistisch kort is.
Legt de rechtbank de minister een dwangsom op?
6. De rechtbank legt alleen een rechterlijk dwangsom op.
7. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvragen neemt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1624) brengt een redelijke toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb in dit geval met zich mee dat de minister één dwangsom verbeurt voor eiseressen gezamenlijk.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eiseressen gelijk krijgen en de minister uiterlijk op 15 juni 2025 alsnog een besluit moet nemen. Doet de minister dat niet, dan is zij aan eiseressen een dwangsom verschuldigd.
9. De minister moet de door eiseressen gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtsbijstand is verleend voor familieleden en door dezelfde persoon, waarbij de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart de beroepen gegrond;
-
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
-
draagt de minister op om uiterlijk op 15 juni 2025 alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken;
-
bepaalt dat de minister aan eiseressen een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
-
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van
€ 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.