Vreemdelingenrecht

bewaring, eerste beroep, opgeheven en door voor PKV, de minister verzet zich niet tegen het vergoeden van de…

Rechtbank Den Haag, 12 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 12 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
12 augustus 2026
Datum publicatie
12 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.43642
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22513
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

bewaring, eerste beroep, opgeheven en door voor PKV, de minister verzet zich niet tegen het vergoeden van de proceskosten, veroordeling in de proceskosten tot een bedrag van € 934,- voor het verrichten van relevante werkzaamheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.43642


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum] ,

van Marokkaanse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. H.J. Janse),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Bij besluit van 2 augustus 2026 heeft de minister aan verzoeker de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

1.1.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door verzoeker ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

1.2.

Op 3 augustus 2026 heeft de minister de maatregel van bewaring opgeheven. Bij bericht van 4 augustus 2026 heeft de minister medegedeeld aan verzoeker een schadevergoeding van € 400,- te betalen.

1.3.

Op 5 augustus 2026 heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

1.4.

De rechtbank heeft het onderzoek op 11 augustus 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a, van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.

3. De rechtbank stelt vast dat de minister op 6 augustus 2026 desgevraagd heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen het vergoeden van de proceskosten.

4. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,-, omdat de gemachtigde van verzoeker tijdens de beroepsprocedure relevante werkzaamheden heeft verricht, die door de rechtbank gelet op het Bpb worden gewaardeerd als 1 punt met een waarde van € 934,-.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vreemdelingenwet 2000. Algemene wet bestuursrecht. Besluit proceskosten bestuursrecht.