Vreemdelingenrecht
bewaring, volgberoep, Algerijnse, buiten zitting, zicht op uitzetting, voldoende voortvarend, geen lichter…
Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31477 · Rechtbank Den Haag · 26 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/vereenvoudigde-behandeling/ecli-nl-rbdha-2026-31477
Zaakgegevens
Op 26 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 26 oktober 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.63609
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Vereenvoudigde behandelingVereenvoudigde behandelingDe bestuursrechter beslist zonder zitting, omdat de uitkomst duidelijk is. Wie het er niet mee eens is, kan in verzet gaan.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31477
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
bewaring, volgberoep, Algerijnse, buiten zitting, zicht op uitzetting, voldoende voortvarend, geen lichter middel, beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.63609
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 7 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 19 augustus 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
De minister heeft een kennisgeving voortduren vreemdelingenbewaring aan de rechtbank gezonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op 23 oktober 2026 op gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek op de zitting achterwege blijft en het onderzoek op 23 oktober 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 14 augustus 2026.
4. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
5. Eiser voert aan dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat, door ziekte, de presentatie in persoon op 24 september 2026 niet door kon gaan. Desondanks heeft de Algerijnse ambassade mondeling een lp toegezegd. Eiser heeft aangegeven zijn medewerking te willen verlenen aan zijn terugkeer en heeft hiervoor ook stappen ondernomen. Het voortduren van de bewaring is daarom niet nodig. Bovendien valt de bewaring hem erg zwaar. Een lichter middel, zoals een meldplicht, is daarom op zijn plaats. Eiser zal zich dan ook houden aan een meldplicht.
Beoordeling rechtbank
6. De rechtbank oordeelt allereerst dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraak is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat eiser op 24 september 2026 schriftelijk is gepresenteerd bij de Algerijnse vertegenwoordiging met als resultaat dat mondeling een lp-afgifte is toegezegd.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Zo heeft de minister op 20 augustus 2026, 8 september 2026 en 30 september 2026 schriftelijk gerappelleerd. Daarnaast hebben er drie vertrekgesprekken plaatsgevonden, laatstelijk op 22 september 2026.
De rechtbank heeft in de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak geoordeeld dat het onttrekkingsrisico maakt dat toepassing van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. De enkele stelling van eiser dat de bewaring hem zwaar valt en dat hij zich aan een meldplicht wil houden, maakt dat niet anders.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.