Vreemdelingenrecht

Dublin, 8:54 Awb, dat het claimverzoek en/of claimakkoord in het dossier nog niet beschikbaar was betekent…

Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.29187
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31622
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin, 8:54 Awb, dat het claimverzoek en/of claimakkoord in het dossier nog niet beschikbaar was betekent niet dat de minister geen voornemen mocht uitbrengen, tussen partijen niet langer in geschil dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, ook niet in geschil dat voor Duitsland zowel in het algemeen als voor eiser persoonlijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, artikel 17 Dublinverordening, beroep kennelijk ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.29187


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Libische nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 mei 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.

1.2.

Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat, mede, aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.

2.1.

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesbelang

3. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Dit is ingegeven door het bericht van de minister van 6 oktober 2026, waaruit blijkt dat eiser op 18 september 2026 vanuit vreemdelingenbewaring is overdragen aan de autoriteiten van Duitsland.

3.1.

De rechtbank stelt vast dat overdracht aan Duitsland gedwongen heeft plaatsgevonden. In een dergelijke situatie behoudt een vreemdeling procesbelang bij de beoordeling van het overdrachtsbesluit. Als de rechtbank het overdrachtsbesluit achteraf vernietigt, bijvoorbeeld omdat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van het andere EU-land ten onrechte is aangenomen, is sprake van een onrechtmatig overdrachtsbesluit. Een mogelijk gevolg daarvan is dat de vreemdeling naar Nederland wordt teruggehaald om hier zijn asielprocedure te doorlopen. De rechtbank gaat dan ook over tot een inhoudelijke beoordeling van het door eiser ingediende beroep.

Zorgvuldigheid voornemen en bestreden besluit

4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. In de zienswijze heeft eiser al aangevoerd dat de Dublinclaim op Duitsland niet zichtbaar was in het portaal voor advocaten en dat ten tijde van de zienswijze niet kon worden vastgesteld of en hoe Duitsland de claim had geaccepteerd. De minister is erop gewezen dat eiser op deze manier niet kan ingaan op het voornemen en dat het voornemen prematuur is. De minister heeft desondanks een beslissing tot overdracht geslagen zonder eiser de kans te geven om op de claim te reageren. Dat de minister heeft overwogen dat de claim ten tijde van het bestreden besluit wel in het dossier zat, neemt niet weg dat eiser geen zienswijze heeft kunnen indienen.

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat een claimverzoek en/of claimakkoord in het dossier nog niet beschikbaar was voor (de gemachtigde van) eiser, niet betekent dat de minister geen voornemen mocht uitbrengen. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat er op dat moment concrete aanwijzingen waren dat Duitsland verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag. Ook verzet geen rechtsregel of wet zich ertegen dat het voornemen wordt uitgebracht terwijl er op dat moment nog geen sprake is van een zichtbaar claimverzoek of dat het claimakkoord nog niet is geaccordeerd ten tijde van het uitbrengen van het voornemen. Een voornemen is namelijk een voorbereidende handeling en nog geen daadwerkelijk besluit. De beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat Duitsland op grond van de Dublinverordening in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Tussen partijen is ook niet in geschil dat voor Duitsland zowel in het algemeen als voor eiser persoonlijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Artikel 17 van de Dublinverordening

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister (in het voornemen) voldoende gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Eiser heeft zowel in de zienswijze als in de beroepsgronden geen bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.29188. Europese Unie.