Vreemdelingenrecht

vovo afgewezen wel pkv i.v.m. uitkomst beroep

Rechtbank Den Haag, 14 april 2026

Zaakgegevens

Op 14 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
14 april 2026
Datum publicatie
14 april 2026
Zaaknummer
NL25.43312
Procedure
Versnelde behandeling
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:9066
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vovo afgewezen wel pkv i.v.m. uitkomst beroep

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.43312


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam 1] , verzoekster,

mede namens haar minderjarige kinderen, [kind1] en [kind2],

V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] ,

(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

Procesverloop

1. Verzoekster heeft op 28 september 2022 voor de tweede maal een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.1.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van de zaak NL25.43311, op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister. Verzoekster was niet aanwezig. De behandeling van het verzoek en het beroep is vervolgens op verzoek van de gemachtigde van de minister aangehouden, omdat hij onvoldoende tijd heeft gehad om zich op de pleitnota van de gemachtigde van verzoekster van 14 januari 2026 voor te bereiden.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft de behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en het beroep voortgezet op de zitting van 12 maart 2026. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van de minister deelgenomen. Verzoekster en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.43311, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

2.1.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op de inhoud van de uitspraak op het beroep aanleiding te bepalen dat verzoekster een vergoeding krijgt van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,00.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 1.868,00 aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.