Burgerlijk procesrecht
Geschil over opzegging van een vennootschapsovereenkomst. Incident tot voorlopige voorziening.
Rechtbank Den Haag, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30456 · Rechtbank Den Haag · 14 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30456
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Datum publicatie
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/710394
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. K.M. Verdurmen, mr. V.P. Melens
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30456
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geschil over opzegging van een vennootschapsovereenkomst. Incident tot voorlopige voorziening.
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaaknummer: C/09/710394 / HA ZA 26-759
Vonnis in incident van 14 oktober 2026
in de zaak van
1 DE HYPOTHEKER UITHOORN B.V.te Uithoorn,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Uithoorn B.V.,
2. [eisende partij, sub 2] te [woonplaats],
eisende partij in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [eisende partij, sub 2],
advocaat: mr. K.M. Verdurmen, te ’s-Hertogenbosch,
tegen
[gedaagde partij] te [woonplaats],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
advocaat: mr. V.P. Melens, te Amsterdam.
1 De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 13 juli 2026, met de producties 1 tot en met 39;
- de akte eisvermeerdering ex artikel 130 lid 1 Rv van Uithoorn B.V., met de producties 40 tot en met 42;
- de beslagstukken;
- de conclusie van antwoord in het incident.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.
2 De feiten
in het incident
Bij schriftelijke overeenkomst van 1 januari 2024 heeft de Hypotheker Nieuw-Vennep B.V. (hierna: HNV), vertegenwoordigd door haar bestuurder [eisende partij, sub 2], de activa en passiva van haar onderneming – de vestiging Nieuw-Vennep (een franchise van De Hypotheker Associatie) – overgedragen aan [gedaagde partij]. De koopsom bedroeg € 510.000, waarvan [gedaagde partij] 51% heeft voldaan. De resterende 49% is [gedaagde partij] schuldig gebleven.
Bij schriftelijke overeenkomst van 1 januari 2024 (hierna: de Overeenkomst VOF) zijn DHV en [gedaagde partij] de vennootschap onder firma De Hypotheker Nieuw-Vennep V.o.f. (hierna: de VOF) aangegaan. Hierbij heeft [gedaagde partij] de onder 2.1 bedoelde onderneming ingebracht. DHV heeft haar vordering op [gedaagde partij] van 49% van de koopsom ingebracht.
In de Overeenkomst VOF is onder meer het volgende bepaald:
“Duur
Artikel 2
De vennootschap is aangegaan voor onbepaalde tijd.
(…)
Bescherming vermogen
Artikel 6
(…)
4. Iedere vennoot is verplicht al hetgeen hij ten behoeve van het bedrijf van de vennootschap heeft ontvangen, direct, zonder daartoe in gebreke te zijn gesteld, in de vennootschap in te brengen. Het voorgaande geldt analoog voor hetgeen waartoe een vennoot zich heeft verbonden om in de vennootschap in te brengen.
5. De vennoot die een in dit artikel opgenomen verbod overtreedt, verbeurt voor iedere overtreding een direct opeisbare en niet voor korting vatbare boete van € 10.000 (zegge: tienduizend euro) jegens elke andere vennoot, onverminderd het recht van de laatste om de meerdere schade te vorderen.
(…)
Einde overeenkomst
Artikel 13
De overeenkomst van vennootschap eindigt:
(…)
2. door opzegging als bedoeld in artikel 14 van deze akte;
(…)
Opzegging non-concurrentiebeding
Artikel 14
1. De overeenkomst van vennootschap onder firma kan worden opgezegd door iedere vennoot met inachtneming van een termijn van tenminste een half jaar en uitsluitend tegen het einde van een boekjaar.
(…)
Overige bepalingen
Artikel 23
(…)
4. De vennoot sub 1 [lees: [gedaagde partij], rechtbank] heeft het recht om per 1 januari 2029 het aandeel van de vennoot sub 2 [lees: Uithoorn B.V., rechtbank] in de vennootschap over te nemen tegen een waarde die bepaald wordt op dezelfde wijze inclusief rendementseis als waarop de waarde van de onderneming bij de overname door vennoot sub 1 van de vennoot sub 2 is bepaald. Dit tenzij sprake is van een material adverse change, een substantiële verslechtering van de activiteiten, de winst- en verliesrekening, balans en/of verwachtingen daarvan (of wetenschap dat dit zich zal verwezenlijken). In dat geval zal een aan te wijzen deskundige met inachtneming van de gewijzigde omstandigheden de koopprijs vaststellen. De vennoot sub 1 zal de overname alsdan afronden voor 1 juli 2029.”
DHV heeft haar naam gewijzigd in De Hypotheker Uithoorn B.V. (Uithoorn B.V.).
Bij aangetekende brief van 24 juni 2025 heeft [gedaagde partij] de Overeenkomst VOF opgezegd tegen 1 januari 2026.
3 Het geschil
in de hoofdzaak
Vorderingen Uithoorn B.V.
Uithoorn B.V. vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I [gedaagde partij] veroordeelt tot nakoming van de Overeenkomst VOF, onder meer door:
1) betaling aan Uithoorn B.V. van de maandelijkse voorschotten op het winstaandeel van € 1.000 per maand op grond van artikel 11 lid 1 van de Overeenkomst VOF, te rekenen vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 december 2028, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de reeds opeisbare termijnen vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
2) betaling aan Uithoorn B.V. van de jaarlijkse rentevergoeding van 5% over het saldo van de kapitaalrekening van Uithoorn B.V. uiterlijk op 31 december van einde boekjaar tot en met boekjaar 2028 op grond van artikel 8 lid 3 van de Overeenkomst VOF;
3) betaling aan Uithoorn B.V. van haar 49%-aandeel in de jaarlijkse overwinst van de VOF uiterlijk op 31 december van einde boekjaar tot en met boekjaar 2028 op grond van artikel 9 van de Overeenkomst VOF;
4) herstel en ononderbroken volledige toegang van Uithoorn B.V., in de persoon van [eisende partij, sub 2], tot de (klant)administratie, betaalrekening, boekhouding en andere systemen van de Vestiging Nieuw-Vennep één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000 per dag of dagdeel dat [gedaagde partij] in gebreke blijft aan de desbetreffende veroordeling te voldoen, te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis, met een maximum van € 500.000;
5) de handelsnaam de Hypotheker Nieuw Vennep in te schrijven bij de vermelding van de VOF in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en deze handelsnaam bij de vermelding van de eenmanszaak van [gedaagde partij] te verwijderen en verwijderd te houden, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000 per dag of dagdeel dat [gedaagde partij] in gebreke blijft aan de desbetreffende veroordeling te voldoen, te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis, met een maximum van € 500.000;
II voor recht verklaart dat [gedaagde partij] jegens Uithoorn B.V. aansprakelijk is voor de schade die Uithoorn B.V. heeft geleden en mogelijk nog zal lijden als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten van [gedaagde partij] in de nakoming van de Overeenkomst VOF;
III [gedaagde partij] veroordeelt tot vergoeding van de door Uithoorn B.V. geleden en mogelijk nog te lijden schade wegens het niet-nakomen van de Overeenkomst VOF over de periode vanaf 1 januari 2026 tot en met de dag waarop [gedaagde partij] zijn verplichtingen uit de Overeenkomst VOF volledig is nagekomen dan wel tot 1 januari 2029, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de onderscheiden schadecomponenten vanaf de datum van opeisbaarheid respectievelijk 1 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
IV voor recht verklaart dat de waarde van het aandeel van Uithoorn B.V. in de VOF op of na 1 januari 2029 dient te worden bepaald overeenkomstig artikel 23 lid 4 van de Overeenkomst VOF, op de wijze die Uithoorn B.V. daaraan geeft in de dagvaarding in randnummers 30-31 en 79 en zoals bevestigd door de Accountant aan [eisende partij, sub 2];
subsidiair:
V voor recht verklaart dat de afwikkeling van de VOF dient plaats te vinden op grond van artikel 15 lid 2 van de Overeenkomst VOF op de wijze die Uithoorn B.V. daaraan geeft in de dagvaarding en zoals bevestigd door de Accountant aan [eisende partij, sub 2], inhoudende dat de waarde van het aandeel van Uithoorn B.V. dient te worden bepaald op basis van de waarde in het economisch verkeer bij voortgezette bedrijfsuitoefening, te berekenen aan de hand van de van de gangbare DCF methode afgeleide Adjusted Present Value Methode die daartoe gebruikelijk binnen de DHA organisatie wordt benut;
VI voor recht verklaart dat de waarde van het aandeel van Uithoorn B.V. in de VOF per 31 december 2025 - inclusief haar 49%-aandeel in de Openstaande Posten Lijst (OPL) zonder de door [gedaagde partij] dóorgevoerde manipulaties - tenminste € 517.818 bedraagt, uitgesplitst in:
• de waarde van het 49%-aandeel van Uithoorn B.V. in de VOF op basis van de APV-methode: € 414.050; en
• het 49%-aandeel van Uithoorn B.V. in de OPL per 31 december 2025 zonder manipulatie: € 63.270; en
• het aandeel van Uithoorn B.V. in de bankstand: € 40.498,
althans een onafhankelijke deskundige te benoemen die de waarde van het aandeel van Uithoorn B.V. in de zaken en vermogensrechten van de VOF bepaalt op basis van de gangbare DCF methode afgeleide Adjusted Present Value Methode die daartoe gebruikelijk binnen de DHA organisatie wordt benut;
VII [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling aan Uithoorn B.V. van een bedrag van € 517.818, althans een door de benoemde deskundige vast te stellen bedrag te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
meer-subsidiair:
VIII de ontvlechting en financiële afwikkeling van de VOF vast te stellen overeenkomstig het voorstel dat [gedaagde partij] heeft gedaan in zijn e-mail aan [eisende partij, sub 2] van 12 januari 2026, inhoudende:
uitbetaling aan Uithoorn B.V. van het saldo van de kapitaalrekening van Uithoorn B.V. per 31 december 2025, inclusief de initiële inbreng van € 249.900;
• betaling aan Uithoorn B.V. van 1,5 x de gemiddelde overwinst van de VOF over de boekjaren 2024 en 2025;
• betaling aan Uithoorn B.V. van een rentevergoeding van 2,5% per jaar over de waarde van de kapitaalrekening van Uithoorn B.V. per 31 december 2025;
één en ander te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de openstaande bedragen vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening en te voldoen binnen 14 dagen na betekening van het vonnis..
primair, subsidiair en meer-subsidiair:
IX [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling aan Uithoorn B.V. van de direct opeisbare contractuele boete op grond van artikel 6 lid 5 van de Overeenkomst VOF van ten minste € 20.000, te vermeerderen met € 10.000 voor iedere verdere vastgestelde overtreding van artikel 6 lid 2 en lid 4 van de Overeenkomst VOF;
X [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 31 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
XI [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van de beslagkosten ex artikel 706 Rv, begroot op
€ 7.200,94;
XII [gedaagde partij] veroordeelt in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden.
in het incident
Uithoorn B.V. vordert in het incident, na wijziging van eis, dat de rechtbank, bij wijze van voorpolige voorziening:
I [gedaagde partij] veroordeelt om, voor tenminste de looptijd van de hoofdzaak de Overeenkomst VOF onverkort na te komen, onder meer door:
1) aan Uithoorn B.V. te voldoen de maandelijkse voorschotten op het winstaandeel van € 1.000 per maand op grond van artikel 11 lid 1 van de Overeenkomst VOF, te rekenen vanaf 1 januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de reeds opeisbare termijnen vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;
2) aan Uithoorn B.V. te voldoen de jaarlijkse rentevergoeding van 5% over het saldo van de kapitaalrekening van Uithoorn B.V. uiterlijk op 31 december van einde boekjaar op grond van artikel 8 lid 3 van de Overeenkomst VOF;
3) aan Uithoorn B.V. te voldoen haar 49%-aandeel in de jaarlijkse overwinst van de VOF uiterlijk op 31 december van einde boekjaar op grond van artikel 9 van de Overeenkomst VOF;
4) aan Uithoorn B.V., in de persoon van [eisende partij, sub 2], de volledige toegang ononderbroken te verlenen tot de (klant)administratie, de betaalrekening, boekhouding en alle overige systemen van de VOF één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000 per dag of dagdeel dat [gedaagde partij] in gebreke blijft aan de desbetreffende veroordeling te voldoen, te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis, met een maximum van
€ 500.000;
5) de handelsnaam de Hypotheker Nieuw Vennep in te schrijven bij de vermelding van de VOF in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en deze handelsnaam bij de vermelding van de eenmanszaak van [gedaagde partij] te verwijderen en verwijderd te houden, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000 per dag of dagdeel dat [gedaagde partij] in gebreke blijft aan de desbetreffende veroordeling te voldoen, te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis, met een maximum van € 500.000;
II [gedaagde partij] veroordeelt tot al hetgeen te doen en na te laten dat nodig is om de uitvoering van de Overeenkomst VOF te bewerkstelligen binnen twee weken na het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen termijn;
III [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling aan Uithoorn B.V. van de direct opeisbare contractuele boete op grond van artikel 6 lid 5 van de Overeenkomst VOF van tenminste € 20.000,- (twee overtredingen à € 10.000), te vermeerderen met
€ 10.000 voor iedere verdere vastgestelde overtreding van artikel 6 lid 2 en lid 4 van de Overeenkomst VOF;
IV [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 31 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
V [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van de beslagkosten ex artikel 706 Rv, begroot op
€ 7.200,94;
VI [gedaagde partij] veroordeelt in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden.
Aan de ze incidente vordering legt Uithoorn B.V, samengevat, het volgende ten grondslag. [gedaagde partij] heeft de Overeenkomst VOF niet rechtsgeldig opgezegd. In artikel 23 lid 4 van de Overeenkomst VOF staat de gezamenlijke bedoeling van partijen, namelijk dat de samenwerking tussen partijen tot minimaal 1 januari 2029 zal worden voortgezet. [gedaagde partij] zou pas vanaf 1 januari 2029 het aandeel van Uithoorn B.V. in de VOF kunnen overnemen en de vestiging Nieuw-Vennep zelfstandig kunnen voortzetten. [gedaagde partij] heeft met artikel 23 de facto afstand gedaan van de mogelijkheid de Overeenkomst VOF eerder op te zeggen om de vestiging Nieuw-Vennep alleen verder te exploiteren. Dit betekent dat [gedaagde partij] gehouden is alle verplichtingen uit de Overeenkomst VOF onverkort na te komen.
[gedaagde partij] is per 1 januari 2026 tekortgeschoten in zijn verplichting de maandelijkse voorschotten op het winstaandeel van € 1.000 te voldoen en Uithoorn B.V. toegang te verlenen tot de (klant)administratie, boekhouding, rekeningen en systemen van de VOF. Daarnaast heeft [gedaagde partij] door de Overeenkomst VOF als geëindigd te beschouwen en de vestiging Nieuw-Vennep uitsluitend via zijn eenmanszaak voort te zetten, ondubbelzinnig kenbaar gemaakt dat hij ook de jaarlijkse rentevergoeding over het kapitaal van Uithoorn B.V. in haar aandeel in de jaarlijkse overwinst niet zal nakomen. De aanhoudende niet-nakoming van de betaling van de maandelijkse voorschotten, de ontzegging van de toegang tot alle systemen, rekeningen en administratie van de VOF aan Uithoorn B.V. in samenhang met de aangekondigde weigering de overige verplichtingen uit de Overeenkomst VOF na te komen, levert een voortdurende aan [gedaagde partij] toerekenbare tekortkoming op in de nakoming van de Overeenkomst VOF.
Het spoedeisende belang van Uithoorn B.V. bij de gevorderde voorlopige voorziening is gelegen in de voortdurende aard van de tekortkomingen van [gedaagde partij] en de financiële schade die daardoor elke maand verder oploopt. Daarnaast maakt Uithoorn B.V. zich ernstige zorgen over de juiste bedrijfsvoering binnen de vestiging Nieuw-Vennep, waarvan Uithoorn B.V. als medevennoot ook de gevolgen draagt. Daarbij komt dat een bodemprocedure in eerste aanleg al snel een tot twee jaar in beslag neemt, waarna [gedaagde partij] de mogelijkheid heeft hoger beroep in te stellen. De totale doorlooptijd kan daarmee oplopen tot drie jaar of meer. [gedaagde partij] is de contractuele boete verschuldigd omdat hij sinds 1 januari 2026 de handelsnaam van de VOF zonder toestemming voor zijn eenmanszaak gebruikt en de inkomsten niet meer inbrengt in de VOF.
[gedaagde partij] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Zowel in het incident als in de hoofdzaak staat centraal of [gedaagde partij] de Overeenkomst VOF tegen 1 januari 2026 heeft mogen opzeggen en dus of de VOF per 1 januari 2026 is ontbonden. Alle onderdelen van de incidentele vordering en de (primaire) vordering in de hoofdzaak hangen daarmee samen. Uithoorn B.V. stelt dat [gedaagde partij] op grond van artikel 23 lid 4 van de VOF Overeenkomst niet mag opzeggen. [gedaagde partij] heeft dat gemotiveerd betwist; volgens [gedaagde partij] houdt artikel 23 lid 4 in dat hij het recht heeft om per 1 januari 2029 de onderneming over te nemen en doet dit niet af aan mogelijkheid van opzegging als bedoeld in artikel 14 VOF Overeenkomst.
In dit incident moet beoordeeld worden of bij een afweging van de belangen van partijen vooruitlopend op de uitkomst van de hoofdzaak de gevorderde voorlopige voorziening moeten worden getroffen. De gevraagde voorlopige voorziening strekt ertoe dat [gedaagde partij] de VOF voortzet. In zoverre wordt met de gevraagde voorlopige voorziening in zekere zin vooruitgelopen op de uitkomst van de hoofdzaak. Dit brengt met zich dat de gevorderde voorlopige voorziening op de voet van artikel 223 Rv in beginsel alleen kan worden toegewezen, als voldoende aannemelijk is dat [gedaagde partij] de Overeenkomst VOF niet heeft mogen opzeggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voorshands niet voldoende aannemelijk dat partijen met artikel 23 lid 4 van de VOF Overeenkomst hebben bedoeld opzegging tot 1 januari 2029 uit te sluiten. Die bedoeling volgt in ieder geval niet uit de e-mail van [gedaagde partij] van 15 november 2023 waarop Uithoorn B.V. zich beroept (productie 13) en evenmin uit de tekst van artikel 23. Daarin staat immers niet dat [gedaagde partij] de Overeenkomst VOF niet mag opzeggen. Nu onvoldoende aannemelijk is dat [gedaagde partij] de Overeenkomst VOF niet heeft mogen opzeggen, staat evenmin voldoende vast dat [gedaagde partij] de gevorderde contractuele boete verschuldigd is.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de incidentele vordering zal worden afgewezen.
Uithoorn B.V. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde partij] als volgt begroot:
- salaris advocaat € 653 (1 punt à € 653, volgens tarief II)
- nakosten € 189 ( plus de verhoging zoals opgenomen onder de beslissing)
Totaal: € 842
De over deze proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen.
5 De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst het gevorderde af;
veroordeelt Uithoorn B.V. in de proceskosten, tot op heden begroot op € 842, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet Uithoorn B.V. € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verwijst de zaak naar de rol van 25 november 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde partij];
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.
type: 1554