Civiel recht overig

Rechtbank Den Haag · Kort geding · Civiel recht overig

Rechtbank Den Haag, 23 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
23 oktober 2026
Datum publicatie
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/09/712699 / KG ZA 26-998
Procedure
Kort geding
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31254
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

volgt

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/712699 / KG ZA 26-998

Vonnis in kort geding van 23 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats 1] ,

eiser, hierna: [eiser] ,

advocaat mr. J. du Bois,

tegen:

[gedaagde] te [woonplaats 2] ,

gedaagde, hierna: [gedaagde] ,

advocaat mr. C.J. van der Have.

1 De procedure

1.1.

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 23 september 2026, met producties 1 tot en met 10;

- de door [gedaagde] overgelegde productie 1.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 13 september [moet zijn: oktober] 2026. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten verder toegelicht, mede aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Ook hebben partijen vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Aan het eind van de zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, wordt in deze zaak van het volgende uitgegaan.

2.1.

Partijen zijn in 1997 met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, waarin zij een finaal verrekenbeding zijn overeengekomen. Daarin staat dat partijen bij echtscheiding zullen verrekenen alsof er tussen hen een gemeenschap van goederen bestaat, behalve als het gaat om vermogensbestanddelen die zijn verkregen via erfstelling, legaat of schenking.

2.2.

Bij beschikking van 21 november 2017 heeft de rechtbank Den Haag de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De rechtbank heeft in die beschikking ook de verdeling vastgesteld van de gemeenschappelijke goederen en bepaald welke goederen en schulden partijen per peildatum 16 november 2016 met elkaar moeten verrekenen. [eiser] is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan.

2.3.

Op 22 mei 2019 heeft het gerechtshof Den Haag eindbeschikking gewezen in het hoger beroep (hierna ook: de beschikking). Daarin heeft het hof vastgesteld welke bedragen partijen per peildatum 16 november 2016 met elkaar moeten verrekenen. Deze beschikking van het hof is onherroepelijk. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] op grond van de verdeling in deze beschikking per saldo een bedrag van € 39.086,34 aan [gedaagde] moet betalen.

2.4.

In 2018 en 2020 heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] executoriaal derdenbeslag laten leggen onder schuldenaren van [eiser] .

2.5.

In 2019 is [gedaagde] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. In 2022 is zij erkend als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. [gedaagde] heeft in juni 2022 een forfaitaire compensatie van € 30.000 ontvangen en haar schulden zijn in die periode afgewikkeld in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.

2.6.

Op 10 juli 2026 heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] executoriaal loonbeslag laten leggen onder de werkgever van [eiser] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair het ten laste van [eiser] onder zijn werkgever gelegde executoriale derdenbeslag opheft, althans [gedaagde] beveelt om dit beslag binnen 24 uur na betekening van het vonnis te doen opheffen en opgeheven te houden; dan wel

II. subsidiair de verdere tenuitvoerlegging van de beschikking van het hof Den Haag van 22 mei 2019 door middel van het onder de werkgever van [eiser] gelegde executoriale derdenbeslag schorst, totdat voldoende duidelijkheid is verkregen over de actuele omvang van de executievordering van [gedaagde] , althans totdat daarover in een bodemprocedure is beslist;

III. [gedaagde] beveelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, door tussenkomst van de advocaat van [eiser] , volledige en controleerbare inzage te verstrekken in de afwikkeling van de schulden die relevant kunnen zijn voor de onderlinge financiële verhouding tussen partijen en de actuele omvang van de executievordering, waaronder in ieder geval:

  1. de beschikking(en), besluiten en/of overige stukken betreffende de buitenrechtelijke schuldregeling waarvan [gedaagde] gebruik heeft gemaakt;

  2. een overzicht van de schulden die in het kader van die schuldregeling en/of de hersteloperatie kinderopvangtoeslag geheel of gedeeltelijk zijn voldaan, kwijtgescholden of anderszins zijn afgewikkeld;

  3. voor zover uit de beschikbare stukken kenbaar: per betreffende schuld het oorspronkelijke bedrag, het bedrag dat daadwerkelijk is voldaan of kwijtgescholden, de datum waarop dit heeft plaatsgevonden en de wijze waarop de schuld is afgewikkeld;

  4. de stukken waaruit blijkt op welke wijze de bij ING geregistreerde hypotheekrestschuld van € 70.558,67, althans € 70.558, die volgens het BKR-overzicht op 12 oktober 2022 is beëindigd, is afgewikkeld;

  5. de beschikking en/of betaalspecificaties betreffende de door [gedaagde] ontvangen forfaitaire compensatie van € 30.000 in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag;

  6. voor zover van toepassing, de overige beschikkingen en betaalspecificaties betreffende herstelbetalingen die verband houden met de schulden en financiële verplichtingen die relevant zijn voor de onderliggende financiële verhouding tussen partijen;

IV. [gedaagde] verbiedt om tijdens de periode waarin de onder II. bedoelde schorsing van kracht is opnieuw executoriaal beslag te leggen op het salaris of andere periodieke inkomsten uit arbeid van [eiser] ter zake van dezelfde executoriale titel, behoudens voorafgaande toestemming van de voorzieningenrechter;

V. [gedaagde] beveelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de met de tenuitvoerlegging belaste gerechtsdeurwaarder schriftelijk opdracht te geven uitvoering te geven aan de door de voorzieningenrechter uitgesproken opheffing dan wel schorsing van het loonbeslag, en daarvan gelijktijdig schriftelijk bewijs aan [eiser] , althans diens advocaat, te verstrekken;

VI. bepaalt dat [gedaagde] , voor ieder dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder I., III. en/of IV. bepaalde, een dwangsom verbeurt van € 500 per dag, met een maximum van € 25.000;

met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] misbruik maakt van haar bevoegdheid door de beschikking van het hof van 22 mei 2019 te executeren. Na het wijzen van die beschikking hebben zich nieuwe feiten voorgedaan. [gedaagde] heeft een compensatie van
€ 30.000 van de Belastingdienst ontvangen en haar schulden zijn afgewikkeld in het kader van de hersteloperatie. Die omstandigheden hebben gevolgen voor de hoogte van de vordering die [gedaagde] op [eiser] heeft. Het door [gedaagde] gelegde loonbeslag moet daarom worden opgeheven althans de executie moet worden geschorst. Daarnaast moet [gedaagde] inzicht geven in de schulden die met de hersteloperatie zijn afgewikkeld, zodat kan worden vastgesteld welk bedrag in mindering moet worden gebracht op de hiervoor genoemde vordering.

3.3.

[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat [eiser] op grond van de (onherroepelijke) beschikking van het hof een bedrag van € 39.086,34 aan [gedaagde] moet betalen. Van dit bedrag is inmiddels zo’n € 5.000 afgelost, onder andere als gevolg van het executoriale derdenbeslag dat [gedaagde] in 2018 en 2020 ten laste van [eiser] heeft gelegd. Het restant van de vordering heeft [eiser] tot op heden niet aan [gedaagde] voldaan. Het staat [gedaagde] daarom in principe vrij om de beschikking van het hof verder ten uitvoer te leggen. Dat kan anders zijn als [gedaagde] daarmee misbruik maakt van haar executiebevoegdheid.

4.2.

[eiser] stelt dat daarvan sprake is. Volgens hem hebben zich na de beschikking van het hof nieuwe feiten voorgedaan die gevolgen hebben voor de hoogte van de vordering die [gedaagde] op [eiser] heeft. [eiser] vordert daarom opheffing van het door [gedaagde] gelegde loonbeslag dan wel schorsing van de verdere tenuitvoerlegging van de beschikking. De voorzieningenrechter oordeelt dat er grond bestaat voor een gedeeltelijke schorsing van de executie. Dit oordeel wordt hieronder uitgelegd.

4.3.

Vast staat dat [gedaagde] in 2022 – zo’n drie jaar na de beschikking van het hof – is erkend als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire en in dat kader een compensatie van € 30.000 heeft ontvangen van de Belastingdienst. [eiser] heeft tijdens de zitting bepleit dat dit bedrag is bedoeld voor de compensatie voor beide toeslagpartners. Volgens hem volgt uit de rechtspraak dat dit bedrag in de huwelijksgemeenschap valt en [eiser] daarom recht heeft op de helft daarvan (een bedrag van € 15.000). Dat betekent volgens [eiser] dat hij een tegenvordering heeft op [gedaagde] , die moet worden verrekend met het bedrag dat [gedaagde] op grond van de beschikking van [eiser] moet krijgen. [gedaagde] is het daar niet mee eens: volgens haar heeft de compensatie van € 30.000 een persoonlijk karakter en heeft [eiser] geen recht op een deel daarvan. [gedaagde] stelt dat zij destijds de aanvrager was van de kinderopvangtoeslag en de gevolgen van de registratie als wanbetaler heeft moeten dragen. Verder wijst zij erop dat [eiser] als toeslagpartner zelf aanspraak had kunnen maken op een compensatiebedrag van € 10.000.

4.4.

Partijen verschillen dus van mening over de vraag of de door [gedaagde] ontvangen compensatie – hoewel de aanspraak daarop tijdens de verdeling in de beschikking van het hof nog niet bekend was – alsnog moet worden gerekend tot de (ontbonden) gemeenschap en moet worden verdeeld. Die vraag valt in dit kort geding niet goed te beantwoorden: daar zal de bodemrechter aan te pas moeten komen. Op voorhand valt echter niet uit te sluiten dat [eiser] aanspraak kan maken op de helft van het door [gedaagde] ontvangen compensatie. Een concreet aanknopingspunt daarvoor biedt een recent arrest van het hof Den Haag. In die uitspraak kwam de vraag aan bod of de compensatie die de Belastingdienst – jaren na de echtscheiding – aan partijen had uitgekeerd, onderdeel uitmaakte van de (inmiddels ontbonden) gemeenschap. Het hof oordeelde dat de aanspraak op de compensatie was ontstaan tijdens het huwelijk, omdat de compensatie betrekking had op het terugvorderen van de kinderopvangtoeslag die door partijen was ontvangen tijdens het huwelijk. De compensatie maakte daarom in beginsel deel uit van de (ontbonden) algehele gemeenschap van goederen. Omdat bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap nog geen rekening kon worden gehouden met de compensatie, moest op grond van het echtscheidingsconvenant alsnog verdeling plaatsvinden, zo oordeelde het hof.

4.5.

Gezien deze uitspraak lijkt het mogelijk dat [eiser] (gelet op het feit dat de verdeling tussen partijen plaatsvond alsof er – ondanks de huwelijkse voorwaarden die tussen partijen golden – tussen hen een gemeenschap bestond) alsnog aanspraak kan maken op de helft van het door [gedaagde] ontvangen compensatiebedrag en dit bedrag zou kunnen verrekenen met het bedrag dat hij nog aan [gedaagde] moet betalen. Als gezegd zal een bodemrechter daarover een definitief oordeel moeten vellen. Zolang dat nog niet is gebeurd, acht de voorzieningenrechter het niet redelijk (en misbruik van bevoegdheid) dat [gedaagde] de executie van de beschikking voortzet voor de volledige hoofdsom van € 39.086,34. De voorzieningenrechter zal de tenuitvoerlegging van de beschikking voor wat betreft het loonbeslag daarom schorsen voor zover dit het bedrag van € 24.086,34 (de hoofdsom minus € 15.000) overschrijdt. De voorzieningenrechter zal bepalen dat deze schorsing geldt totdat uitspraak is gedaan in een door [eiser] binnen zes weken aanhangig te maken bodemprocedure, of partijen daarover andere afspraken hebben gemaakt. Verder zal [gedaagde] worden bevolen om de deurwaarder opdracht te geven om uitvoering te geven aan deze gedeeltelijke schorsing van de executie en de advocaat van [eiser] daarvan schriftelijk op de hoogte te stellen.

4.6.

[eiser] heeft er verder op gewezen dat de schulden van [gedaagde] in 2022 zijn afgewikkeld in het kader van de hersteloperatie toeslagen. Volgens [eiser] is de beschikking van het hof deels gebaseerd op schulden die [gedaagde] had moeten dragen, maar feitelijk door een derde zijn gedragen. Dat betekent volgens [eiser] dat [gedaagde] voor het aflossen van die schulden in redelijkheid geen bijdrage meer van hem kan innen. De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in dat betoog. In de beschikking van het hof is een verdeling vastgesteld met als peildatum 16 november 2016. [eiser] heeft de voorzieningenrechter niet kunnen uitleggen waarom het feit dat de uit de gemeenschap aan [gedaagde] toegedeelde schulden in 2022 zijn afgewikkeld, meebrengt dat zij misbruik van bevoegdheid maakt door de beschikking van het hof verder ten uitvoer te leggen. In het bijzonder heeft [eiser] niet duidelijk kunnen maken dat omstandigheden die zich aan de zijde van [gedaagde] hebben voorgedaan nadat de verdeling door het hof is uitgesproken, alsnog van invloed moeten zijn op de al voltooide verdeling. Voor een verdergaande schorsing van de executie dan bedoeld onder 4.5 bestaat daarom geen grond.

4.7.

Tot slot vordert [eiser] onder III. dat [gedaagde] wordt veroordeeld om volledige en controleerbare inzage te verstrekken in de afwikkeling van de schulden die relevant kunnen zijn voor de onderlinge financiële verhouding tussen partijen en de actuele omvang van de executievordering. De voorzieningenrechter ziet, in het licht van het voorgaande, geen ruimte voor toewijzing van deze vordering.

4.8.

Voor wat betreft de gevorderde inzage in de beschikking en/of betaalspecificaties van het door [gedaagde] ontvangen compensatiebedrag van € 30.000 (III. onder e), heeft [eiser] niet toegelicht welk belang hij daarbij heeft, nu [gedaagde] op de zitting heeft erkend dat zij dit bedrag in juni 2022 heeft ontvangen. Ook valt niet in te zien welk belang [eiser] heeft bij inzage van de stukken over de afwikkeling over de hypotheekrestschuld bij de ING van
€ 70.558,67 (III. onder d). Deze restschuld is pas ontstaan ná de verdeling en bovendien is deze volledig afbetaald. Dat [eiser] enig nadeel van (de afwikkeling van) deze schuld heeft ondervonden, is niet gebleken.

4.9.

Ook de rest van de inzagevordering (III. a t/m d, en f) is niet toewijsbaar. Met deze vorderingen wenst [eiser] inzage in de afwikkeling van de schulden (en de onderliggende bescheiden) van [gedaagde] in 2022. Zoals hiervoor bij 4.6 is toegelicht, heeft [eiser] de voorzieningenrechter niet kunnen uitleggen waarom de afwikkeling van haar schulden in 2022 maakt dat [gedaagde] de beschikking van het hof niet meer ten uitvoer zou mogen leggen. Welk belang [eiser] dan (nog) heeft bij inzage in de stukken over die schuldenafwikkeling, is de voorzieningenrechter niet duidelijk.

4.10.

Slotsom is dat de voorzieningenrechter de executie van de beschikking van het hof gedeeltelijk zal schorsen op de in het dictum vermelde wijze. De overige vorderingen zullen worden afgewezen. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] geen (nieuwe) beslagen zal mogen leggen voorzover dat gebeurt om een hoger bedrag te incasseren dan € 24.086,34.

4.11.

Omdat partijen gehuwd zijn geweest, ziet de voorzieningenrechter reden om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

schorst de executie van de beschikking van het hof Den Haag van 22 mei 2019 (met zaaknummers 200.233.826/01 en 200.233.827/01) door middel van het onder de werkgever van [eiser] gelegde executoriale derdenbeslag voor zover de executie het bedrag van
€ 24.086,34 overschrijdt, totdat (i) uitspraak is gedaan in een binnen zes weken na heden door [eiser] aanhangig te maken bodemprocedure of (ii) partijen anders zijn overeengekomen;

5.2.

beveelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de met de tenuitvoerlegging belaste gerechtsdeurwaarder schriftelijk opdracht te geven om uitvoering te geven aan de gedeeltelijke schorsing zoals bedoeld onder 5.1, en daarvan gelijktijdig schriftelijk bewijs aan de advocaat van [eiser] te verstrekken;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.

fjs

Gerechtshof Den Haag 30 juni 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2592.