Civiel recht overig
Eindbeschikking. Verzoek voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen. Verzoeker heeft ook na inzage in het…
Rechtbank Den Haag, 29 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31946 · Rechtbank Den Haag · 29 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/rekestprocedure/ecli-nl-rbdha-2026-31946
Zaakgegevens
Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Datum publicatie
- 30 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/696617 / HA RK 25-751
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- RekestprocedureRekestprocedureEen procedure die begint met een verzoekschrift (rekest) aan de rechter in plaats van met een dagvaarding.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.J. de Witte
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31946
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eindbeschikking. Verzoek voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen. Verzoeker heeft ook na inzage in het strafdossier voldoende belang bij het horen van getuigen over hun kennis en waarnemingen die in relatie staan tot het overlijden van de vader van verzoeker gelet op de aansprakelijkheidsvraag.
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/696617 / HA RK 25-751
Beschikking van 29 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker] te [woonplaats] ,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. M.J. de Witte,
tegen
STICHTING REINIER DE GRAAF GROEP te Delft,
verweerster,
hierna te noemen: RdGG,
advocaten: mrs. M.S.E. van Beurden en M.L. Jinkes de Jong.
1 De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
-
de beschikking van 28 mei 2026 en de daaraan ten grondslag gelegde stukken;
-
de e-mail van mr. De Witte van 7 juli 2026 met één bijlage;
-
de brief van mr. Jinkes de Jong van 20 juli 2026;
-
de e-mail van de rechtbank van 24 juli 2026;
-
de e-mail van mr. De Witte van 4 augustus 2026 met drie bijlagen;
-
de e-mail van de rechtbank van 5 augustus 2026;
-
de e-mail van mr. Van Beurden van 19 augustus 2026 met één bijlage.
Daarna is bepaald dat vandaag een beschikking wordt gegeven.
2 De verdere beoordeling
Bij beschikking van 28 mei 2026 heeft de rechtbank bepaald dat [verzoeker] uiterlijk 9 juli 2026 aan de rechtbank bericht of hij inzage in het strafdossier heeft gekregen. Daarbij is [verzoeker] opgedragen, als hij inzage heeft gekregen, tevens kenbaar te maken welk belang hij nog heeft bij het verzochte voorlopig getuigenverhoor en een aangepaste lijst van de te horen getuigen over te leggen. In de beschikking van 28 mei 2026 is tevens bepaald dat RdGG uiterlijk 23 juli 2026 op het bericht van [verzoeker] mag reageren. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
Bij e-mail van 7 juli 2026 heeft [verzoeker] aangegeven het strafdossier te hebben ontvangen en de volgende getuigen te willen horen:
-
[getuige 1] (hierna: [getuige 1] );
-
[getuige 2] (hierna: [getuige 2] );
-
[getuige 3] (hierna: [getuige 3] );
-
[getuige 4] (hierna: [getuige 4] );
-
[getuige 5] ;
-
[getuige 6] ;
-
[getuige 7] .
[verzoeker] stelt dat het strafrechtelijk onderzoek een ander doel dient dan het doel waarmee hij onderhavig verzoekschrift heeft ingediend. Het strafrechtelijk onderzoek is geen uitputtend onderzoek geweest, uit het strafdossier wordt niet duidelijk wie wat deed op welk moment en van de personen die [verzoeker] graag als getuige wil laten horen zijn alleen [getuige 3] en [getuige 4] gehoord. [verzoeker] voert daarbij ook aan dat de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 3] op sommige punten tegenstrijdig, althans verwarrend zijn. [getuige 4] heeft verklaard aan de zuurstofslang van de vader van [verzoeker] te hebben gezeten en deze te hebben losgetrokken, terwijl [getuige 3] verklaarde dat zij en de andere aanwezigen in de kamer van de vader van [verzoeker] een plofje hoorde welke afkomstig was van de zuurstofslang die door de luchtdruk lossprong. Dit roept bij [verzoeker] vragen op net als de verschillende tijdstippen die worden genoemd voor de bel die in de kamer van diens vader was ingedrukt. [verzoeker] meent dan ook dat hij, ondanks de inzage in het strafdossier, belang heeft bij het verzoek om de getuigen te horen. Tot slot geeft [verzoeker] de rechtbank in overweging een reconstructie/descente te gelasten en de getuigen te horen in een nagebootste situatie.
Nadat RdGG ook het aan [verzoeker] door het OM ter beschikking gestelde strafdossier had ontvangen, heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Bij email van 19 augustus 2026 heeft RdGG haar standpunt met betrekking tot het (ontbreken van) belang bij [verzoeker] gehandhaafd. RdGG voert aan dat zij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het overlijden van de vader van [verzoeker] , dat er sprake is van een uitvoerig strafrechtelijk onderzoek en dat het merendeel van de door [verzoeker] opgegeven getuigen niet betrokken waren bij de zorg voor de vader van [verzoeker] voorafgaand aan zijn overlijden terwijl de situatie na het overlijden voor de vraag naar de toedracht niet relevant is. Verder voert RdGG aan dat de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 3] niet tegenstrijdig of verwarrend zijn, maar juist consistent en dat het feit dat zij niet meer exact weten hoe laat vanuit de kamer van de vader van [verzoeker] is gebeld dat niet anders maakt. Het enkele feit dat [verzoeker] aangeeft zich vooral te willen richten op de situatie na het overlijden van de vader van [verzoeker] , is volgens RdGG onvoldoende onderbouwing van het belang van [verzoeker] bij het voorlopig getuigenverhoor.
Heeft [verzoeker] voldoende belang bij zijn verzoek?
Zoals al in de beschikking van 28 mei 2026 is bepaald, moet worden beoordeeld of [verzoeker] nog belang heeft bij zijn verzoek tot het horen van getuigen nu hij inzage heeft gekregen in het strafdossier. [verzoeker] stelt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat er ogenschijnlijk tegenstrijdigheden te vinden zijn in de verklaring van [getuige 4] enerzijds en [getuige 3] anderzijds. Hierbij wijst de rechtbank op de verklaring van [getuige 4] waarin hij aangeeft te hebben geconstateerd dat de zuurstofslang verkeerd was aangesloten en deze daarom los te hebben getrokken, terwijl [getuige 3] verklaart dat de zuurstofslang losschoot door de luchtdruk. Nu er onduidelijkheden zijn die mogelijk een rol kunnen spelen voor de aansprakelijkheidsvraag, kan [verzoeker] naar het oordeel van de rechtbank niet bij gebrek aan belang het recht worden ontzegd daarover getuigen te doen horen.
Daarbij volgt de rechtbank RdGG niet in haar standpunt dat de situatie na het overlijden van de vader van [verzoeker] niet relevant is. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet zonder meer worden uitgesloten dat de feiten en omstandigheden van kort na het overlijden van belang zouden kunnen zijn voor de vraag of RdGG aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [verzoeker] geleden schade naar aanleiding van het overlijden van zijn vader.
Zoals in de beschikking van 28 mei 2026 ook is opgenomen, begrijpt de rechtbank dat het voor de zorgmedewerkers belastend zou kunnen zijn om nogmaals te moeten verklaren over de feiten en omstandigheden rondom het overlijden van de vader van [verzoeker] , maar weegt het belang van [verzoeker] bij informatievergaring in het licht van de aansprakelijkheidsvraag zwaarder. RdGG heeft haar standpunt herhaald, maar niet nader onderbouwd. De rechtbank blijft dan ook van oordeel dat het belang van [verzoeker] bij informatievergaring zwaarder moet wegen.
De getuigen
Gelet op het feit dat de rechtbank het voorlopig getuigenverhoor zal toewijzen, moet de rechtbank ook oordelen over de getuigen die [verzoeker] wil horen. De rechtbank ziet aanleiding het aantal te horen getuigen te beperken tot de getuigen die uit eigen waarneming kunnen verklaren over de omstandigheden rondom het overlijden van de vader van [verzoeker] . Aangezien de rechtbank bij beschikking van 28 mei 2026 al had geconcludeerd dat [getuige 1] en [getuige 2] niet betrokken zijn geweest bij de verzorging van de vader van [verzoeker] rondom zijn overlijden, zal de rechtbank vooralsnog alleen het verzoek tot het horen van [getuige 4] , [getuige 3] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] toewijzen. Het is aan de rechter-commissaris die met het verhoor wordt belast te bepalen of er goede redenen zijn nog een of meer anderen als getuige te horen.
Nu ook het horen van [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] zal worden toegewezen, gaat de rechtbank ervanuit dat RdGG de persoonsgegevens die nodig zijn voor de oproeping van deze getuigen aan de advocaat van [verzoeker] zal verstrekken.
Het voorlopig getuigenverhoor
Aan partijen zal worden verzocht de verhinderdata aan de rechtbank te sturen. Het is voor een efficiënt verloop van het verhoor vanzelfsprekend wenselijk dat daarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met eventuele verhinderingen van de te horen personen. De advocaten worden om die reden aangemoedigd ook die verhinderingen in de opgave te verwerken. Aan de hand van de verhinderdata zal de rechtbank een datum bepalen voor het verhoor.
De ervaring leert dat voor het horen van de eerste getuige veelal minimaal een uur moet worden uitgetrokken en voor de volgende getuigen ongeveer drie kwartier. De rechtbank verzoekt de advocaten van [verzoeker] hier met het oproepen van de getuigen rekening mee te houden. Daarnaast verzoekt de rechtbank de advocaat van [verzoeker] het oproepschema tijdig voor het verhoor aan RdGG en de griffier te sturen.
Het verzoek om een reconstructie/descente
[verzoeker] heeft verzocht de getuigen te horen in een nagebootste situatie. De rechtbank acht het niet opportuun daarover nu iets te zeggen. De rechter-commissaris die belast zal zijn met het verhoor zal het tot zijn taak mogen rekenen – na afstemming met partijen – te bepalen dat het verhoor van een of meer getuigen (deels) zal plaatsvinden op locatie.
Proceskosten
[verzoeker] heeft verzocht om een proceskostenveroordeling. Aangezien het verzoek van [verzoeker] grotendeels wordt toegewezen, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling van RdGG. De rechtbank begroot die kosten aan de kant van [verzoeker] op een totaal bedrag van € 1.585. Dit bedrag is opgebouwd uit € 90 aan griffierecht, € 1.306 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 653) en € 189 aan nakosten.
3 De beslissing
De rechtbank
beveelt een voorlopig getuigenverhoor en bepaalt dat [getuige 4] , [getuige 3] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] zullen worden gehoord als getuige over hun kennis en waarnemingen die in relatie staan tot het overlijden van de vader van [verzoeker] in het RdGG;
bepaalt dat het verhoor van de vijf getuigen in beginsel (zie 2.11) zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie te Den Haag aan de Prins Clauslaan 60 op een nader te bepalen datum en tijdstip ten overstaan van een nader te bepalen rechter-commissaris;
bepaalt dat partijen binnen twee weken na heden de verhinderdata over de komende vier maanden dienen door te geven aan de rechtbank;
bepaalt dat [verzoeker] uiterlijk twee weken na deze beschikking een afschrift van de beschikking bij aangetekende brief of bij exploot aan RdGG moet doen toekomen;
veroordeelt RdGG in de kosten van deze procedure aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 1.585, en bepaalt dat als RdGG niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan deze veroordeling voldoen en de beschikking daarna moet worden betekend, RdGG € 98 extra moet betalen, plus de kosten van betekening;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op
29 oktober 2026.
3384