Civiel recht overig
Het verzoek tot wraking is gegrond op de wijze van bejegening ter zitting. Het verzoek is afgewezen. Uit het…
Rechtbank Den Haag, 18 februari 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:1879 · Rechtbank Den Haag · 18 februari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/wraking/ecli-nl-rbdha-2019-1879
Zaakgegevens
Op 18 februari 2019 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 18 februari 2019
- Datum publicatie
- 1 maart 2019
- Zaaknummer
- C/09/565182/KG RK 18-1817
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2019:1879
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het verzoek tot wraking is gegrond op de wijze van bejegening ter zitting. Het verzoek is afgewezen. Uit het enkele feit dat de rechter heeft medegedeeld het onbehoorlijk te vinden dat verzoeker haar in de rede valt, meer in het bijzonder op het moment dat zij bezig was met het uitspreken van een voorlopig oordeel, kan niet enige schijn van partijdigheid worden afgeleid.
Uitspraak
Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2018/90
zaak- /rekestnummer: C/09/565182 / KG RK 18-1817
zaaknummer hoofdzaak: 7156496 CV EXPL 18-3660
Beslissing van 18 februari 2019
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] , wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. L.C. Heuveling van Beek ,
kantonrechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbenden in deze procedure zijn:
-
[naam Commanditaire Vennootschap] CV ;
-
STICHTING [naam stichting] .
gemachtigde: Van Arkel gerechtsdeurwaarders & incasso te Leiden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 6 december 2018, waarin melding wordt gemaakt van het mondelinge wrakingsverzoek;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 18 december 2018.
De op 7 januari 2019 geplande mondelinge behandeling is op verzoek van verzoeker aangehouden, waarna 4 februari 2019 als nieuwe datum voor de mondelinge behandeling is gepland. Bij die mondelinge behandeling is niemand verschenen, de belanghebbenden en de rechter met kennisgeving vooraf.
2 Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 7156496 CV EXPL 18-3660 tussen verzoeker en belanghebbenden.
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 december 2018 is op die zitting het volgende voorgevallen. Partijen hebben ermee ingestemd dat de rechter ter beproeving van een minnelijke regeling een voorlopig oordeel zou uitspreken. Terwijl de rechter daarmee bezig was, is zij onderbroken door verzoeker met de mededeling dat hij € 4.000,- wil betalen en anders een vonnis wenst. De rechter heeft daarop geantwoord dat het niet behoorlijk is om een rechter midden in het uitspreken van een voorlopig oordeel te onderbreken en dat “het op tafel leggen” van een mes, terwijl de rechter nog niet is uitgesproken, niet productief is voor het bereiken van een oplossing. Tijdens de daarop volgende discussie heeft verzoeker van de rechter geëist dat zij het woord onbehoorlijk terugneemt. De rechter heeft daaraan geen gehoor gegeven, waarbij zij heeft toegelicht dat zij de leiding heeft van de zitting en dat het onbehoorlijk is om haar midden in een zin te onderbreken. Na een schorsing van de zitting heeft verzoeker de rechter gewraakt.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en zij heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3 De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
De wrakingskamer begrijpt het verzoek tot wraking als zijnde gegrond op de wijze van bejegening ter zitting. Alleen in het geval er sprake is van concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt, kan de wijze van bejegening grond opleveren voor een toewijzing van het wrakingsverzoek. Anders kan het hooguit reden zijn voor het indienen van een klacht bij het bestuur van de rechtbank. Uit het enkele feit dat de rechter heeft medegedeeld het onbehoorlijk te vinden dat verzoeker haar in de rede valt, meer in het bijzonder op het moment dat zij bezig was met het uitspreken van een voorlopig oordeel, kan niet enige schijn van partijdigheid worden afgeleid. In dit verband is ook relevant dat de rechter is belast met het bewaken/bewaren van de orde ter zitting. Een andere grond voor het wrakingsverzoek is door verzoeker niet genoemd. Het verzoek is dan ook niet voor toewijzing vatbaar.
4 De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• verzoeker;
• belanghebbenden;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. Verbeek, T.F. Hesselink en M.J. Alt-van Endt in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.A.E. Scheers en in openbaar uitgesproken op 18 februari 2019.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.