Personen- en familierecht
Voorlopige voorziening. Doorverwijzing naar mediation.
Rechtbank Den Haag, 18 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30718 · Rechtbank Den Haag · 18 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/personen-en-familierecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-30718
Zaakgegevens
Op 18 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/708655 / FA RK 26-6933
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.J. Verdult te Rotterdam, mr. F. Borger van der Burg-Holstege te ’s-Gravenhage
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30718
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening. Doorverwijzing naar mediation.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-6933
Zaaknummer: C/09/708655
Datum beschikking: 18 september 2026
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 7 juli 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J. Verdult te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Borger van der Burg-Holstege te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift, met bijlagen;
-
het verweerschrift, met bijlagen;
-
het F9 formulier van 3 september 2026, met bijlage, van de zijde van de man;
-
het F9 formulier van 4 september 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
-
het F9 formulier van 7 september 2026, met bijlagen, van de zijde van de man;
-
het F9 formulier van 7 september 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.
Op 8 september is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
[naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Feiten
-
Partijen zijn op [dag] 2018 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.
-
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] .
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 1] .
- Partijen oefenen gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De man is ook de ouder van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats 2] ,
- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2010 te [geboorteplaats 2] .
- De man heeft een echtscheidingsverzoek ingediend, bij de rechtbank bekend onder zaak – en rekestnummer C/09/700365 FA RK 26-1976.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:
-
de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] , met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
-
de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;
-
een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld, waarbij zij bij de man verblijven conform het genoemde schema onder randnummer 20 van het verzoekschrift;
-
een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie voor [minderjarige 1] van € 1.927,- per maand en voor [minderjarige 2] van €2.012,- per maand, met ingang van 1 mei 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
-
een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 17.237,- bruto per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 mei 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens verzoekt de man zelfstandig:
-
de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;
-
een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de even weken bij de man verblijven en in de oneven weken bij de vrouw verblijven, al dan niet met inachtneming van een opbouwregeling ten behoeve van [minderjarige 2] ;
-
een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 91,- per maand per kind wordt vastgesteld, met ingang van de datum van de beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning
Uit de stukken is gebleken dat de man en de vrouw overeenstemming hebben bereikt over de echtelijke woning en de gemaakte afspraken hebben vastgelegd in een overeenkomst. Deze overeenkomst is aan het proces-verbaal van 27 augustus 2026 gehecht. Ondanks deze afspraak handhaaft de vrouw haar verzoek om het uitsluitend gebruik van de woning aan haar toe te kennen. De man heeft op de zitting aangegeven dat gelet op de tussen partijen gemaakte afspraken er geen belang meer is bij het verzoek om het uitsluitend gebruik van de woning.
De rechtbank overweegt als volgt.
In punt 8 van de vaststellingsovereenkomst welk aan het proces-verbaal van 27 augustus 2026 is gehecht is het volgende opgenomen:
“De vrouw krijgt, voorzover dit nog niet is gebeurd, met ingang van 1 september 2026
het beheer/toegang over van alle elektronica en apps die de woning betreffen, (waaronder o.a., Demotica, app voor zonnepanelen en camera's). Voor wat betreft de Nuki app die toegang tot de woning verschaft, komen partijen overeen dat beide partijen toegang tot deze app behouden totdat er duidelijkheid bestaat over de contactregeling doordat partijen in onderling overleg hierover overeenstemming hebben bereikt of doordat de rechtbank in de opgestarte voorlopige voorzieningenprocedure, bekend onder zaaknummer: C/09/708655, een uitspraak heeft gedaan over de voorlopige contactregeling. De man kan na de overdracht van het beheer van de Nuki app aan de vrouw, na voorafgaand overleg en overeenstemming met de vrouw, de woning betreden (om bijvoorbeeld spullen op te
halen etc)”
Nu de rechtbank in deze beschikking een beslissing zal nemen ten aanzien van de zorgregeling en er daarmee een uitspraak zal liggen die duidelijkheid verschaft ten aanzien van de voorlopige zorgregeling, ziet de rechtbank geen aanleiding om een beslissing te nemen over het uitsluitend gebruik van de woning. Volgens de afspraak moet de man nu de Nuki App overdragen en mag de man vervolgens alleen de woning betreden na voorafgaand overleg en met instemming met de vrouw.
Gelet op het bovenstaande wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw bij gebrek aan belang af.
Voorlopige zorgregeling
De vrouw acht een week op, week af regeling zoals de man dat heeft met de halfbroer van de kinderen niet in hun belang en voert daartoe het volgende aan. De situaties van de kinderen zijn verschillend gelet op hun verschillende leeftijden van twaalf, acht en drie jaar. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn vanwege hun leeftijd meer gebaat bij korte frequente contacten waarbij de man ook daadwerkelijk de zorg over de kinderen uitoefent. Het is volgens de vrouw niet in het belang van de kinderen om de structureel aan derden wordt over te laten. Ook blootstelling van de kinderen aan de nieuwe partner van de man en aan haar familieleden die ook in de woning verblijven is niet in het belang van de kinderen. De kinderen kunnen vanwege een taalgebrek niet met deze personen communiceren. De vrouw verzoekt daarom ten aanzien van [minderjarige 1] een regeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] in de ene week van donderdag 17:30 uur tot zondag 17:30 uur en in de andere week van donderdag 17:30 uur tot vrijdag 17:30 uur bij de man is. Ten aanzien van [minderjarige 2] verzoekt de vrouw een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige 2] in de ene week van zaterdag 17:30 uur tot zondag 17:30 uur en in de andere week van donderdag 17:30 uur tot vrijdag 17:30 uur bij de man zal zijn. De vrouw acht deze regeling in het belang van de kinderen. Op deze manier hebben de kinderen zowel in het weekend als doordeweeks contact met de man en hun halfbroer. Daarnaast geeft de vrouw [minderjarige 2] nog borstvoeding en geeft [minderjarige 2] ook blijk de vrouw heel erg te missen als zij bij de man is.
De man kan zich niet verenigen met het verzoek van de vrouw en voert daartoe het volgende aan. Gedurende het geregistreerde partnerschap van partijen werkten zowel de man als de vrouw fulltime of nagenoeg fulltime en werd een groot deel van de zorg uitbesteed aan een au pair, het kinderdagverblijf en de BSO. Voorheen was er ook een nanny die de zorg voor de kinderen droeg. De man is van mening dat er in de toekomst een gelijkwaardige zorgregeling dient te gelden. Partijen kunnen op deze manier beiden blijven werken en ieder op een gelijke wijze de zorg voor de kinderen dragen. De man merkt voorts op dat het feit dat de man de zorg deels zou uitbesteden aan derden, niet kan worden aangemerkt als een reden om de man niet te belasten met een gelijke zorgverdeling. Bovendien gaan de kinderen ook wanneer zij bij de vrouw zijn naar de BSO, de kinderopvang en is er een au pair bij de vrouw in dienst. De au pair spreekt Engels en volgens de man spreken en verstaan de kinderen Engels. De man vindt het ook belangrijk dat de kinderen contact kunnen hebben en behouden met de kinderen uit zijn eerdere relatie. De man is bereid ten aanzien van [minderjarige 2] nadere afspraken te maken over een opbouwregeling gelet op de borstvoeding die zij nog krijgt als troost in de avonden, zodat gewerkt kan worden aan een afbouw hiervan. De man verzoekt de rechtbank daarom een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen in de even weken bij de man zijn en in de oneven weken bij de vrouw, rekening houdend met een opbouw regeling ten aanzien van [minderjarige 2] .
De rechtbank overweegt als volgt.
De kinderen hebben lang in een onrustige en onduidelijke situatie verkeerd, waarbij zij gemerkt moeten hebben dat de spanningen tussen de ouders steeds verder opliepen. Dit heeft ongetwijfeld zijn weerslag op de kinderen gehad. De rechtbank acht het daarom van belang dat er rust komt. Beide ouders werken full time dan wel nagenoeg full time en maken gebruik van opvangmogelijkheden. Dat de man een nieuwe partner heeft die geen Nederlands spreekt ziet de rechtbank niet als een belemmering nu voor de kinderen ook au pairs zijn ingezet die geen Nederlands spreken. Er is ook verder niet van contra-indicaties gebleken zodat de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] acht om regeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] in de ene week bij de vrouw en in de andere week bij de man zal zijn, waarbij het wisselmoment zal zijn op de maandag via school. Deze regeling zal aansluiten bij de regeling van de halfbroer van [minderjarige 1] zodat [minderjarige 1] ook met hem contact kan hebben zoals zij gewend was tijdens het geregistreerd partnerschap van partijen. [minderjarige 1] zal dus in de even week bij de man zijn en in de oneven week bij de vrouw.
Ten aanzien van [minderjarige 2] overweegt de rechtbank dat de man heeft aangegeven rekening te zullen houden met een opbouw ten aanzien van [minderjarige 2] zodat de borstvoeding kan worden afgebouwd. De vrouw vindt [minderjarige 2] nog erg klein voor een week op week af regeling en acht dit niet in haar belang gelet op de borstvoeding die [minderjarige 2] nog ontvangt. Tegen het voorstel van de man om rekening te houden met een opbouw zodat de borstvoeding kan worden afgebouwd heeft de vrouw zich niet verzet.
De Raad heeft op de zitting aangegeven dat [minderjarige 2] nu wellicht te jong is voor een week op, week af regeling. In het kader van de voorzieningen procedure zal de rechtbank daarom de Raad hierin volgen en bepalen dat [minderjarige 2] voorlopig tot de bodemprocedure om de week, in de even weken, van donderdag uit school of om 17:00 uur tot maandag naar school of 9:00 uur bij de man zal zijn.
Verder is op de zitting de mogelijkheid van een verwijzing vanuit de rechtbank naar mediation besproken. De ouders hebben beiden ingestemd met een verwijzing naar mediation. De rechtbank zal de ouders via het mediationbureau naar de voor hen bekende mediator verwijzen als na te melden. Bij mediation kunnen de ouders dan ook de verdere uitbreiding van de zorgregeling bespreken.
Toevertrouwing van de kinderen
De vrouw verzoekt te bepalen dat de kinderen aan haar worden toevertrouwd. De vrouw stelt dat dit in het belang van de kinderen is en voert daartoe het volgende aan. De vrouw is de afgelopen periode fulltime thuis geweest en draagt het grootste deel van de verzorging en de opvoeding van de kinderen. De kinderen zijn ook zeer gehecht aan de vrouw. [minderjarige 1] heeft 4 jaar en 11 maanden borstvoeding gekregen en [minderjarige 2] krijgt nu nog borstvoeding.
De man kan zich niet verenigen met het verzoek van de vrouw en verzoekt te bepalen dat de kinderen aan hem worden toevertrouwd. Hij voert daartoe het volgende aan. Sinds het uiteengaan van partijen heeft de vrouw het contact tussen de man en de kinderen actief geblokkeerd. De vrouw neemt de kinderen dan mee om te voorkomen dat de man de kinderen kan zien of ophalen. Het is volgens de man onredelijk dat de vrouw stelt dat zij het grootste deel van de zorg voor de kinderen draagt nu de vrouw deze situatie zelf creëert. De man beschikt over een woning waar hij de kinderen kan opvangen en de man is ook beter in staat om het contact tussen de vrouw en de kinderen te stimuleren.
De rechtbank overweegt als volgt.
De kinderen staan nu ingeschreven op het adres van de echtelijke woning en dat blijft voorlopig zo. [minderjarige 1] zal 50% van de tijd bij de man en 50% van de tijd bij de vrouw zijn zodat er een gelijke verdeling van de zorg zal zijn. Hierbij acht de rechtbank passend om [minderjarige 1] niet aan een van de ouders toe te vertrouwen. Nu [minderjarige 2] voornamelijk bij de vrouw zal verblijven zal de rechtbank [minderjarige 2] toevertrouwen aan de vrouw.
Voorlopige kinderalimentatie
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man € 1.927,- per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] voldoet en € 2.012,- per maand voor [minderjarige 2] voldoet. De man voert hiertegen verweer en verzoekt dat de vrouw € 91,- per maand per kind aan kinderalimentatie aan de man voldoet.
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om de voorlopige vaststelling van kinderalimentatie in het kader van gevraagde voorlopige voorzieningen. Deze vaststelling heeft het karakter van een ordemaatregel, waarbij het gaat om een bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Daarbij is het uitgangspunt dat een summier onderzoek wordt gedaan en zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de actuele situatie, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft.
Nu de kinderalimentatie tussen partijen in geschil is zal de rechtbank overgaan tot het maken van een berekening. Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen als uitgangspunt.
Ingangsdatum
De rechtbank acht het redelijk om de kinderalimentatie vast te stellen overeenkomstig artikel 822 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, derhalve met ingang van de datum van de beschikking, te weten 18 september 2026.
Behoefte van de kinderen
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van de kinderen (de behoefte) zijn. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het geregistreerd partnerschap worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. Omdat de relatie van partijen in november 2025 is beëindigd, zal de rechtbank rekenen met de tarieven van periode 2025-II.
NBI van de vrouw
Het NBI van de vrouw is tussen partijen in geschil. De vrouw acht het redelijk om voor de bepaling van de behoefte van de kinderen uit te gaan haar jaarinkomen 2024 bij de Rabobank van € 75.425,- en niet het inkomen van slechts zes maanden dat zij in Luxemburg heeft genoten. De man is van mening dat juist met het salaris van de vrouw in Luxemburg rekening dient te worden gehouden.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft tot en met augustus 2025 bij de Rabobank gewerkt. Nu zij vervolgens slechts drie maanden in Luxemburg werkte tot partijen uiteen gingen, zal de rechtbank rekening houden met het inkomen van de vrouw bij de Rabobank in 2025. De rechtbank zal aan de hand van de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie van augustus 2025 het cumulatieve inkomen van de vrouw extrapoleren naar een jaar. De rechtbank houdt rekening met een inkomen van de vrouw in 2025 van (€ 61.218 / 8 x 12 = ) € 91.827,-.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale kortingen:
-
de arbeidskorting
-
de combinatiekorting.
Op basis van de bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op
€ 5.138,- per maand.
NBI van de man
Het NBI van de man is tussen partijen in geschil. Volgens de vrouw dient er rekening te worden gehouden met het inkomen van de man van € 6.976,- per maand vermeerderd met 8% vakantiegeld en een gemiddelde opname van de rekening courant ter hoogte van
€ 35.203,- per jaar. Volgens de vrouw hebben partijen dit bedrag per jaar ter beschikking gehad. Volgens de man dient er alleen rekening te worden gehouden met een bruto arbeidsinkomen van € 6.976,- per maand wat neerkomt op een jaarinkomen van € 90.411,- per jaar. De man heeft op de zitting aangegeven dat deze onttrekkingen zijn aangewend voor woning gerelateerde kwesties zoals onder andere de hypotheek en de verbouwing van het huis.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ten aanzien van de man zal de rechtbank ook uitgaan van zijn inkomen in 2025. Uit de jaaropgave 2025 blijkt dat de man een DGA-jaarinkomen had van € 94.401,-. De man heeft op de zitting bevestigd dat de rekening-courant tijdens het geregistreerd partnerschap is gestegen met € 281.629,- over een periode van acht jaar, derhalve € 35.203,- netto per jaar. De rechtbank zal dit optellen bij het jaarinkomen van de man. Dat de bedragen zijn aangewend voor woning gerelateerde kwesties, maakt niet dat dit bedrag niet tot het inkomen behoorde. Immers heeft het gezin hiervan geleefd. De rechtbank zal daarom rekening houden met het DGA-jaarinkomen van de man in 2025 van € 94.401,- en met netto inkomsten van € 35.203,- per jaar. De rechtbank houdt ook rekening met de inkomensafhankelijke ZVW.
Uitgaande van de bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man op
€ 7.585,- per maand.
Kinderopvang kosten
De vrouw stelt dat de netto opvangkosten van de kinderen bij de behoefte dienen te worden opgeteld omdat deze kosten behoefte verhogend zijn. De vrouw heeft een au pair ingeschakeld ter ondersteuning op de woensdag en op de dagen dat zij naar kantoor moet en daardoor laat thuis is, waarbij geldt dat zij vooral vanuit huis zal werken. De man verweert zich hier tegen en heeft aangegeven dat partijen ten aanzien van de kinderopvangkosten afspraken hebben gemaakt in de kort geding procedure. Partijen zouden de BSO verhogen en de au pair stoppen. De vrouw heeft vervolgens zelfstandig besloten een nieuwe au pair te nemen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De vrouw geeft aan dat de au pair nodig is voor op de woensdagen en de dagen dat de vrouw mogelijk op kantoor moet werken. Uit productie 36 blijkt echter dat de au pair er veel vaker is. De rechtbank ziet dit als een eigen keus van de vrouw. De vrouw kan er bovendien voor kiezen om een andere oplossing te vinden voor de woensdag en de enkele avond dat zij later thuis zal zijn. De kosten van de au pair zullen daarom niet worden meegenomen.
Conclusie
Het NBGI ten tijde van het geregistreerd partnerschap bedroeg (7.585 + 5.138 =) € 12.723,- per maand. Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 0,- per maand, zodat de rechtbank hiermee geen rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van de kinderen in 2025 van € 1.700,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 1.778,- per maand.
Draagkracht
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding de vrouw en de man dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen. De rechtbank volgt daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2026 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% van [NBI -(0,3 x NBI + 1.365)].
Vanwege de ingangsdatum, te weten 18 september 2026, rekent de rechtbank met de tarieven van 2026-II.
Draagkracht van de vrouw
De man en de vrouw zijn het met elkaar eens dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van haar salarisspecificatie van juli 2026 waaruit een bruto arbeidsinkomen blijkt van € 7.000,- per maand zodat de rechtbank hier rekening mee zal houden. De rechtbank houdt ook rekening met 8% vakantiegeld en 2% IKB.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale kortingen:
-
de arbeidskorting
-
de combinatiekorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 5.518,- per maand en haar draagkracht op € 1.749,- per maand.
Draagkracht van de man
De draagkracht van de man is tussen partijen in geschil. Volgens de vrouw dient er rekening te worden gehouden met een jaarinkomen van € 173.364,-. Volgens de man is zijn bruto jaarinkomen € 90.411,-. Het inkomen van de man in 2026 lijkt ten opzichte van 2025 te zijn gedaald, maar het verschil volgt volgens de man uit het feit dat de auto van de man eerder op naam van zijn onderneming stond.
Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat er meer geld moet zijn gelet op de vakanties van de man naar Miami en Costa Rica en ook de BMW die de man heeft aangeschaft voor zijn nieuwe partner. De man heeft de reizen en de aanschaf van de BMW niet betwist. Nu deze procedure een voorlopige voorziening betreft, is er geen ruimte om hier nader onderzoek naar te doen. De rechtbank merkt op dat het aangewezen is dat hier in de bodemprocedure meer informatie over wordt aangeleverd of meer openheid van zaken komt.
De rechtbank zal in deze procedure ten aanzien van de man rekening houden met een DGA-jaarinkomen van € 90.411,- en zal net als bij de berekening van de behoefte ook rekening houden met netto inkomsten van € 35.203,- per jaar als privé-onttrekking en de inkomensafhankelijke ZVW.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale kortingen:
-
de arbeidskorting
-
de combinatiekorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 7.740,- per maand en zijn draagkracht op € 2.837,- per maand.
Op de draagkracht van de man dient de kinderalimentatie ten aanzien van de kinderen uit zijn vorige relatie in mindering te worden gebracht. De man heeft dan nog een draagkracht van (€ 2.837,- -/- € 724) = € 2.113,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk (€ 1.749,- + € 2.113,- =) € 3.862,-. Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen van € 1.778,- te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 2113 / 3862 x 1778 = € 973,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1749 / 3862 x 1778 = € 805,-
Totaal € 1.778,-
Zorgkorting
Gelet op de te bepalen zorgregeling waarbij de [minderjarige 1] 50% van de tijd bij de man zal zijn en [minderjarige 2] gemiddeld 2 dagen per week bij de man zal zijn, geldt ten aanzien van [minderjarige 1] een zorgkorting van 35% en ten aanzien van [minderjarige 2] een zorgkorting van 25%. De behoefte voor beide kinderen bedraagt €1.778,- en is daarom per kind (1778/2=) € 889,- De zorgkorting voor [minderjarige 1] bedraagt € 311,- per maand (35% van € 889,-) en de zorgkorting voor [minderjarige 2] bedraagt € 222,- per maand (25% van € 889,-).
Conclusie
De rechtbank zal gelet op al het voorgaande bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 18 september 2026, voorlopig een kinderalimentatie moet betalen voor [minderjarige 1] van (487 – 311=) € 176,- per maand en voor [minderjarige 2] van (487 – 222 =) € 265,- per maand.
Aanhechten berekening
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Voorlopige partneralimentatie
De vrouw verzoekt een partneralimentatie van € 17.237,- per maand. De man kan zich niet verenigen met het verzoek van de vrouw. De man is van mening dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.
Behoefte van de vrouw
De rechtbank zal de behoefte van de vrouw tijdens het geregistreerd partnerschap berekenen aan de hand van de hofnorm.
De rechtbank heeft het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het geregistreerd partnerschap – in 2025 – bij de berekening van de voorlopige kinderalimentatie al berekend op € 12.723,- per maand. Hiervan moeten de kosten van kinderen worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 11.023,- per maand (€ 12.723,- -/- € 1.700,-) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De behoefte ten tijde van het geregistreerd partnerschap bedraagt dan volgens de hofnorm € 6.614,- netto per maand (60% van € 11.023,-) in 2025. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 6.918,- per maand.
Aanvullende behoefte
De rechtbank zal nu beoordelen in hoeverre de vrouw tijdens de het geregistreerd partnerschap redelijkerwijs zelf in haar behoefte kan voorzien.
Voor het NBI van de vrouw in 2026 zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de berekening van de draagkracht bij de voorlopige kinderalimentatie. De rechtbank berekent het NBI van de vrouw op € 5.200,- per maand. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen bedraagt € 805,- per maand terwijl de vrouw een bedrag van € 318,- per maand,- aan kindgebonden budget ontvangt. Dit betekent dat de vrouw nog € 487,- vanuit haar eigen inkomen aan de kinderen moet besteden. Dit bedrag komt in mindering op haar NBI, zodat het eigen inkomen dat zij aan zichzelf kan besteden € 4.713,- bedraagt. Dit inkomen wordt in mindering gebracht op de behoefte van € 6.918,-, zodat de vrouw een aanvullende behoefte heeft in 2026 van € 2.205,- netto per maand. Dat is € 4.367,- bruto per maand.
Draagkracht van de man
De rechtbank berekent de draagkracht van de man voor voorlopige partneralimentatie aan de hand van dezelfde gegevens als bij de berekening voor zijn draagkracht voor voorlopige kinderalimentatie. De rechtbank berekent het NBI van de man op € 7.740,- per maand.
Op grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 4.053,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 2.432,- netto per maand. Daarop wordt door de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van de kinderen (= kinderalimentatie + zorgkorting) van € 973,- per maand en de kinderalimentatie van de kinderen uit zijn vorige relatie van € 724,- per maand in mindering gebracht.
Hierna is € 734,- netto per maand beschikbaar voor de voorlopige partneralimentatie. Dat is € 1.175,- bruto per maand.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de man door de voldoening van de hiervoor berekende voorlopige partneralimentatie aan de vrouw niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt.
Uit deze inkomensvergelijking volgt dat de man bij een bedrag van € 1.187,- bruto per maand aan voorlopige partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte overhoudt als de vrouw. Aangezien dit bedrag hoger ligt dan de draagkracht van de man, wordt de vast te stellen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw begrensd tot de hoogte van de draagkracht van de man.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het bovenstaande bepalen dat de man, met ingang van 18 september 2026, voorlopig een partneralimentatie van € 1.175,- bruto per maand aan de vrouw moet betalen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats 1] .
aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
*
bepaalt dat [minderjarige 2] in de even weken van donderdag uit school of donderdag om 17:00 uur tot maandag naar school of maandag 9:00 uur bij de man zal zijn;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] in de even weken bij de man zal zijn, waarbij de wissel plaatsvindt op maandag via school;
*
verwijst partijen naar de voor hen bekende mediator om verdere afspraken te maken over de kinderen en de afwikkeling van de echtscheiding;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 18 september 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 176,- per maand en ten behoeve van [minderjarige 2] van € 265,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 18 september 2026 voorlopig een partneralimentatie van € 1.175,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 september 2026.
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]