Strafrecht overig
Beslissing ex artikel 6:1:16 lid 4 Sv. Verzoek toegewezen. De verzoekster heeft gemotiveerd en onderbouwd…
Rechtbank Den Haag, 30 mei 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:9989 · Rechtbank Den Haag · 30 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-9989
Zaakgegevens
Op 30 mei 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 mei 2025
- Datum publicatie
- 6 juni 2025
- Zaaknummer
- 96/152907-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9989
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beslissing ex artikel 6:1:16 lid 4 Sv. Verzoek toegewezen. De verzoekster heeft gemotiveerd en onderbouwd betwist dat de dagvaarding in persoon aan haar is betekend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordeling omtrent de juistheid van de inhoud van de akte van uitreiking en daarmee de ontvankelijkheid van de verzoekster in haar hoger beroep voorbehouden is aan het gerechtshof.
De verzoekster heeft evenwel een begin van aannemelijkheid aangetoond dat de handtekening op de akte van uitreiking niet door haar is gezet. Daarom kan niet worden uitgesloten dat het gerechtshof de verzoekster ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Parketnummer: 96/152907-24
Raadkamernummer: 25-013836
Beslissing van de rechtbank Den Haag, voorzieningenrechter, op het verzoek ex artikel 6:1:16 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [postcode] [plaats] ,
(hierna: de verzoekster),
strekkende tot schorsing van de executie in de strafzaak met parketnummer 96/152907-24 totdat onherroepelijk op het op 27 maart 2025 ingestelde hoger beroep is beslist.
De procedure op zitting
De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 30 mei 2025 op zitting behandeld.
De verzoekster, bijgestaan door mr. J.S. de Gram, is gehoord.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft in geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek tot schorsing van de executie.
Het standpunt van de verzoekster
De verzoekster heeft zich primair op het standpunt gesteld dat, gelet op haar gemotiveerde betwisting dat de dagvaarding in eerste aanleg aan haar in persoon is uitgereikt en het feit dat de akte niet volledig is ingevuld, haar appel wel degelijk ontvankelijk wordt verklaard door het gerechtshof.
Subsidiair heeft de verzoekster zich op het standpunt gesteld dat de beoordeling omtrent de juistheid van stellingen van de verzoekster aangaande de juistheid van de handtekening op de akte van uitreiking voorbehouden is aan het gerechtshof, zodat niet zonder meer kan worden uitgesloten dat het gerechtshof de verzoekster ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep.
De verzoekster is van mening dat zij tijdig hoger beroep heeft ingesteld en dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:1:16 lid 1 Sv. Zij verzoekt dan ook schorsing van de executie totdat op het hoger beroep is beslist.
Beoordeling van het verzoek.
De verzoeker is bij vonnis van 11 december 2024 door de politierechter in deze rechtbank bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid, Dienst Justitiële Inrichtingen, heeft bij brief van 19 maart 2025 de verzoekster meegedeeld dat de executie van het vonnis zal plaatsvinden.
Op 27 maart 2025 heeft de verzoekster hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
Op grond van artikel 6:1:16 Sv mag geen beslissing ten uitvoer worden gelegd zolang daartegen enig rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, daarop is beslist.
In het dossier is een akte van uitreiking aanwezig, waarin staat dat de dagvaarding voor de terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank van 11 december 2024 op 3 oktober 2024 in persoon aan de verzoekster is betekend.
De verzoekster heeft gemotiveerd en onderbouwd betwist dat de dagvaarding in persoon aan haar is betekend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordeling omtrent de juistheid van de inhoud van de akte van uitreiking en daarmee de ontvankelijkheid van de verzoekster in haar hoger beroep voorbehouden is aan het gerechtshof.
De verzoekster heeft evenwel een begin van aannemelijkheid aangetoond dat de handtekening op de akte van uitreiking niet door haar is gezet. Daarom kan niet worden uitgesloten dat het gerechtshof de verzoekster ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep.
De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om het verzoek toe te wijzen.
Beslissing
De voorzieningenrechter schorst de executie in de strafzaak met parketnummer 96/152907-24 totdat onherroepelijk op het op 27 maart 2025 ingestelde hoger beroep is beslist.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. J.A. van Steen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 mei 2025.