Omgevingsrecht

voorlopige voorziening - afwezing vanwege ontbreken spoedeisend belang - nog geen feitelijke gevolgen van…

Rechtbank Gelderland, 23 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23 oktober 2026
Datum publicatie
22 oktober 2026
Zaaknummer
ARN 26/4077
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:8219
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

voorlopige voorziening - afwezing vanwege ontbreken spoedeisend belang - nog geen feitelijke gevolgen van bestreden besluit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/4077

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 oktober 2026

in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers(gemachtigde: mr. P.J. Graafstal)


en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] )

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs in Nunspeet,

(gemachtigde: mr. J.A.F. Haneveer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het college om een verkeersbesluit te nemen dat ervoor zorgt dat verkeer van en naar het te realiseren Integraal Kind Centrum (IKC) aan de [adres] in Nunspeet niet via westzijde van de [adres] (voor de woning van verzoekers langs) maar via de oostzijde van de [adres] en de Rondweg De Kolk (de rondweg) zal worden geleid. Verzoekers zijn het met deze weigering van het college niet eens. Omdat het college in zijn beslissing op het bezwaar van eisers bij zijn weigering is gebleven hebben verzoekers hiertegen beroep ingediend. Tegelijkertijd hebben zij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat eisers geen spoedeisend belang hebben. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekers hebben het college verzocht om een verkeersbesluit te nemen dat gaat over de afhandeling van de verkeersstromen van en naar het toekomstige IKC. Met het bericht van 28 januari 2026 heeft het college dit verzoek afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juni 2026 (verstuurd op 6 juli 2026) heeft het college het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard en de weigering in stand gelaten. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekers hebben na het indienen van hun verzoek nog meerdere keren stukken aangeleverd.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers met hun adviseur P.J. Graafstal en de gemachtigden van het college. De derde-partij heeft zich voor de zitting afgemeld.

Waar gaat de zaak over?

3. Op 10 april 2025 heeft derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een IKC voor kinderopvang, kinderdagverblijf en basisonderwijs. Op 19 januari 2026 heeft het college besloten om de omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwwerk bouwen’ en ‘technische bouwactiviteit’ te verlenen. Op 20 november 2025 hebben verzoekers een aanvraag ingediend voor het nemen van een verkeersbesluit ten aanzien van de ontsluiting van het IKC via de oostzijde, zodat er geen gemotoriseerd verkeer voor hun perceel langs zal rijden. Op 28 januari 2026 heeft het college besloten om de aanvraag voor het verkeerbesluit af te wijzen. Op 6 februari 2026 is door verzoekers bezwaar gemaakt tegen de weigering om het verzochte verkeersbesluit te nemen.

3.1.

Met het besluit van 30 juni 2026 (verstuurd op 6 juli 2026) heeft het college het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag om een verkeersbesluit in stand gelaten. Eisers zijn tegen dit besluit in beroep gegaan en hebben tegelijkertijd een voorlopige voorziening verzocht, om te voorkomen dat er reeds begonnen wordt met het uitvoeren van (bouw)werkzaamheden die onomkeerbaar zijn.

3.2.

De kern van het bezwaar van verzoekers is dat [wethouder] hen een toezegging heeft gedaan over de afwikkeling van de verkeersstroom van en naar het IKC via de oostzijde van de [adres] en de Rondweg. Verzoekers zouden graag zien dat het college de [adres] in lijn met deze toezegging inricht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Hebben verzoekers een spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening?

4. Verzoekers stellen een spoedeisend belang te hebben, omdat de gemeente heeft aangekondigd om in september/oktober 2026 met de uitvoering van het project te zullen beginnen. Volgens verzoekers hebben in juni en juli al verkennende en voorbereidende werkzaamheden plaatsgevonden in verband met de voorgenomen werkzaamheden aan de [adres] , overeenkomstig het verkeersplan ten behoeve van het IKC. Hieronder vallen onder meer de aanpassing van de riolering, de inrichting van de fietsstraat, de aanleg van verkeersplateaus, voetpaden en overige werkzaamheden die onderdeel uitmaken van die verkeerskundige inrichting. Deze werkzaamheden zijn juist bedoeld om de verkeersontsluiting van het IKC mogelijk te maken. Daarnaast is eind juli op het bouwterrein een bouwstroomkast geplaatst en zijn in augustus 2026 de betonblokken behorende bij de huidige verkeersknip in de [adres] verplaatst. Verzoekers vrezen dat met het bouwrijp maken van het terrein, het verwijderen van bestaande opstallen en alle andere werkzaamheden voor de bouw- en terreininrichting, vooruitgelopen wordt op de uitkomst van de beroepsprocedure tegen het bestreden verkeersbesluit. Volgens verzoekers ontstaat op die manier een feitelijke situatie die nagenoeg onomkeerbaar is, wanneer verzoekers alsnog in het gelijk worden gesteld in hun beroep.

4.1.

De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Het bestreden besluit gaat over de afhandeling van het autoverkeer van en naar het IKC nadat het in gebruik genomen is. Het college heeft verklaard dat er van verkeersstromen van en naar de voorzieningen in het IKC nog geen sprake is, omdat het IKC eerst nog gebouwd moet worden. Dit is door verzoekers ook niet betwist. Op de zitting heeft het college de verwachting uitgesproken dat het gebouw aan het einde van het jaar 2027 in gebruik zal worden genomen. Dat betekent dat het bestreden besluit voor verzoekers voorlopig nog geen feitelijke gevolgen heeft. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

4.2.

De voorzieningenrechter merkt verder op dat de verzochte voorziening in dit geval ziet op het besluit van het college tot afwijzing van een aanvraag van verzoekers om een verkeersbesluit. Schorsing van een dergelijk besluit door de voorzieningenrechter leidt niet tot toewijzing van het beoogde verkeersbesluit. Het door verzoekers beoogde effect kan met het verzoek om voorlopige voorziening dus niet worden bereikt, ook niet als spoedeisend belang wel aangenomen zou worden.

Conclusies en gevolgen

5. Het verzoek voorlopige voorziening moet worden afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Dat betekent dat eisers hun griffierecht niet terugkrijgen en er ook geen reden is voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 oktober 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.