Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Gelderland · Eerste aanleg - meervoudig · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Gelderland, 30 mei 2022
ECLI:NL:RBGEL:2022:2691 · Rechtbank Gelderland · 30 mei 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbgel-2022-2691
Zaakgegevens
Op 30 mei 2022 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 30 mei 2022
- Datum publicatie
- 27 mei 2022
- Zaaknummer
- AWB_21_854
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2691
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
mr. E. Mengerink
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 21/854
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 mei 2022
in de zaak tussen
[Eiseres A] te [plaats B] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.F. van Willigen),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 4 september 2020 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om haar ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) te herzien afgewezen.
In het besluit van 6 januari 2021 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft schriftelijk vragen gesteld aan verweerder.
In reactie daarop heeft verweerder het besluit van 15 december 2021 (bestreden besluit 2) genomen. Hierbij heeft verweerder het bezwaar van eiseres alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit deels herroepen en aan eiseres met ingang van 1 augustus 2020 een volledig ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend.
Eiseres heeft zich bij brief van 17 januari 2022 uitgelaten over het bestreden besluit 2.
Omdat beide partijen hebben verklaard af te zien van het recht op een zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt allereerst vast dat het bestreden besluit 2 het bestreden besluit 1 heeft vervangen. Het bestreden besluit 2 komt niet (volledig) tegemoet aan het beroep van eiseres. Het ingediende beroep is op grond van artikel 6:19, eerste en tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) daarom van rechtswege (ook) gericht tegen het bestreden besluit 2.
Omdat gesteld noch gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit 1 zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaren en zich in deze uitspraak beperken tot de beoordeling van het bestreden besluit 2.
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
In de brief van 28 november 1996 heeft verweerder eiseres erop gewezen dat de Belastingdienst aan verweerder heeft laten weten dat eiseres de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over het jaar 1993 voor een deel (te weten, voor een bedrag van ƒ 2.953 / € 1.340,01) niet heeft betaald.
Eiseres is in die brief er verder op gewezen dat zij alleen schuldige nalatigheid kan voorkomen als zij het openstaande bedrag alsnog, binnen één maand na dagtekening van die brief, aan de Belastingdienst betaalt.
In een niet gedateerde brief heeft verweerder eiseres erop gewezen dat de Belastingdienst aan verweerder heeft laten weten dat eiseres de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over het jaar 1995 voor een deel (te weten, voor een bedrag van ƒ 1.028 / € 548,17) niet heeft betaald.
Eiseres is in die brief er verder op gewezen dat zij alleen schuldige nalatigheid kan voorkomen als zij het openstaande bedrag alsnog, binnen één maand na dagtekening van die brief, aan de Belastingdienst betaalt.
Bij twee afzonderlijke besluiten van 13 januari 1997 heeft verweerder eiseres schuldig nalatig verklaard de over het jaar 1993 en 1995 verschuldigde premies ingevolge de AOW betaald te hebben. De schuldige nalatigheid over het jaar 1993 is vastgesteld op 55%, voor het jaar 1995 op 34%.
Eiseres heeft op 12 april 2013 een ouderdomspensioen bij verweerder aangevraagd. Bij besluit van 22 april 2013 heeft verweerder het ouderdomspensioen met ingang van 5 april 2013 toegekend. Verweerder heeft daarop een korting van 2% toegepast. Eiseres heeft tegen het toekenningsbesluit geen bezwaar gemaakt.
In april 2013 en in januari 2014 heeft eiseres bij verweerder nagevraagd waarom haar pensioen is gekort. Daarnaast heeft zij in haar brief van 31 januari 2014 verweerder gevraagd om die korting ongedaan te maken. In de brief van 9 april 2014 heeft verweerder toegelicht waarom het ouderdomspensioen van eiseres is gekort. Eiseres heeft er op dat moment van afgezien om rechtsmiddelen aan te wenden.
Bij brief van 22 augustus 2020 heeft eiseres verweerder opnieuw verzocht om de toegepaste korting te herzien. Hierop heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals genoemd onder ‘procesverloop’.
3. Verweerder heeft – voor zover voor dit beroep nog van belang – aan het bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat het recht op ouderdomspensioen een duuraanspraak betreft. Bij een verzoek om herziening daarvan, zoals in het geval van eiseres, moet die aanspraak zowel naar het verleden als naar de toekomst toe worden beoordeeld.
Voor wat betreft de toekomstige rechten is verweerder, uitsluitend vanwege de (klemmende financiële) persoonlijke omstandigheden van eiseres, aan het verzoek van eiseres tegemoet gekomen.
Verweerder heeft het herzieningsverzoek van eiseres voor zover dat ziet op het verleden (vóór de datum 1 augustus 2020) afgewezen. Volgens verweerder heeft eiseres geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die zij niet eerder had kunnen aanvoeren. Verder zijn de besluiten van 13 januari 1997 en 22 april 2013 niet onmiskenbaar onjuist, omdat daaruit niet direct blijkt dat het niet betalen van de aanslagen het gevolg is van omstandigheden die niet voor risico van eiseres behoren te blijven. Van een fout van de SVB waardoor het evident onredelijk zou zijn om het verzoek om herziening af te wijzen is geen sprake.
4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat eiseres schuldig nalatig is omdat zij de AOW-premie over 1993 en 1995 niet geheel betaald heeft.
Eiseres verkeerde in die tijd in een financieel zware periode; ze had een laag inkomen maar ook een behoorlijke huurschuld waarvoor beslag lag op haar weduwen-uitkering. Daarnaast moest zij maandelijks een bedrag van ƒ 500 (€ 226,89) aflossen op die huurschuld, waardoor zij geen geld over had om andere schulden te voldoen. De belastingschuld over 1993 is ter verificatie in het faillissement van (de onderneming van) wijlen haar (eerste) echtgenoot en eiseres aangeboden. Dat faillissement is opgegeven wegens gebrek aan baten. De aanslag voor de inkomstenbelasting over 1995 heeft een dagtekening van 29 juni 1996 en valt daarmee in het faillissement.
Gelet hierop had verweerder ook naar het verleden toe moeten beslissen dat eiseres niet schuldig nalatig is gebleven.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
In geding is of verweerder gehouden is terug te komen van de besluiten van
13 januari 1997 over de schuldig nalatig-verklaring over de jaren 1993 en 1995 en daarmee van het besluit van 22 april 2013.
Dit geding betreft een zogeheten duuraanspraak. Dit betekent dat op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) bij de toetsing van het bestreden besluit een onderscheid gemaakt moet worden tussen het verleden en de toekomst.
Wat betreft de periode voorafgaand aan het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht) en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Eiseres heeft geen enkel bewijsstuk in het geding gebracht.
De door eiseres genoemde (financiële) omstandigheden, waardoor zij in 1993 en 1995 de sociale premies niet zou hebben kunnen voldoen, zijn voorgevallen op het moment dat eiseres voor het eerst door verweerder is gewezen op de (mogelijke) schuldige nalatigheid en de daaraan verbonden gevolgen. Daaruit volgt dat deze feiten in ieder geval zijn voorgevallen voordat de besluiten van 13 januari 1997 en 23 april 2013 zijn genomen. Er is alleen al om die reden geen sprake van nieuw gebleken feiten.
De rechtbank wijst er verder op dat eiseres deze feiten ook al in 2014 aan verweerder heeft voorgehouden (zonder dat met bewijsstukken te onderbouwen) zodat ook om die reden niet aangenomen kan worden dat in deze procedure sprake is van nieuwe feiten. Daar komt bij dat nieuwe feiten uiterlijk in bezwaar naar voren gebracht moeten worden. Daarvan is niet gebleken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de eerdere besluiten niet evident onredelijk zijn. Vast staat immers dat eiseres de sociale premies niet heeft voldaan. Verweerder is dan gehouden te beslissen dat eiseres schuldig nalatig is. Dat volgt uit de geldende wet- en regelgeving waaraan verweerder gebonden is. Verder is niet gebleken dat is voldaan aan het bepaalde in verweerders beleidsregel “Terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit op verzoek van de belanghebbende (SB1076)”.
Dat verweerder vanwege de persoonlijke omstandigheden van eiseres vanaf 1 augustus 2020 de korting van 2% vanwege die schuldige nalatigheid niet meer toepast, betekent niet dat de eerdere besluiten evident onredelijk zijn (geweest).
Voor zover eiseres zich er op heeft willen beroepen dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit 2 onevenredig zijn in verhouding met de die besluiten te dienen doelen overweegt de rechtbank dat daarvan geen sprake is.
Het sociale zekerheidsstelsel gaat uit van de gedachte dat de sociale lasten zoals het ouderdomspensioen gelijkelijk over de (binnenlandse) belastingplichtigen worden omgeslagen. Door het niet voldoen aan deze verplichting wordt afbreuk gedaan aan de door de wetgever in het verleden gekozen wijze van (gedeeltelijke) financiering van dit sociale zekerheidsstelsel. Door het principe van de schuldige nalatigheid wordt een te grote afbreuk aan dit stelsel voorkomen (en wordt daarmee voorkomen dat het stelsel in zijn geheel niet meer kan functioneren), althans gedeeltelijk afgewenteld op diegenen die niet volledig aan de betalingsverplichtingen hebben voldaan. In de huidige wet- en regelgeving zijn vooralsnog voldoende veiligheidskleppen ingebouwd om in die gevallen waar van het niet betalen geen verwijt kan worden gemaakt niet tot een schuldig nalatig-verklaring over te gaan. Het is dan wel aan de ‘schuldig nalatige’ om – aan de hand van bewijsstukken – te stellen en te onderbouwen dat geen sprake is van schuldig nalatig gedrag.
Voor zover die beslissing naar de toekomst toe onevenredig zou zijn (geweest), heeft verweerder dat met het bestreden besluit 2 gecorrigeerd.
De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat er onlangs een wetsvoorstel tot ‘Wijziging van de Algemene Ouderdomswet en de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met het afschaffen van de mogelijkheid om schuldig nalatig te verklaren bij het niet of niet geheel betalen van de premie voor de volksverzekeringen’
tot stand is gekomen. Dat voorstel ligt ter consultatie voor.
Omdat het wetsvoorstel pas aan het begin van het wetgevingstraject verkeert en niet duidelijk is of, en zo ja hoe en per wanneer, de wet- en regelgeving (zo sterk) ten gunste van de burger zal wijzigen dat vooruitlopend daarop de situatie van de rechtszoekende daarmee in overeenstemming moet worden gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om nu al ‘in de geest’ van de voorgestelde wetgeving te beslissen.
6. De slotsom is dat het beroep van eiseres ongegrond is.
7. De rechtbank ziet wel aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar moet vergoeden, net als de door eiseres gemaakte proceskosten. Verweerder heeft naar aanleiding van hetgeen door eiseres in beroep naar voren is gebracht aanleiding gezien zijn besluitvorming in voor eiseres gunstige zin gedeeltelijk te herzien. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1,5 punt op
(1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor de schriftelijke toelichting op het bestreden besluit 2, met een waarde per punt van € 759), bij een wegingsfactor 1.
De rechtbank ziet aanleiding om een half punt voor die toelichting toe te kennen omdat verweerder in het bestreden besluit 2 gedeeltelijk tegemoet is gekomen, te weten alleen naar de toekomst, terwijl eiseres met name gronden heeft aangevoerd tegen de herziening naar het verleden toe. Toegekend wordt € 1.138,50.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, gericht tegen het bestreden besluit 1, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, gericht tegen het bestreden besluit 2, ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.138,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, en
mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg en mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, leden, in aanwezigheid van mr. K.V. van Weert, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2022.
|
griffier |
voorzitter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.