Civiel recht overig
Verzoeker is niet-ontvankelijk. Wraking van de wrakingskamer nadat een beslissing is genomen.
Rechtbank Gelderland, 20 februari 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:2620 · Rechtbank Gelderland · 20 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/civiel-recht-overig/wraking/ecli-nl-rbgel-2026-2620
Zaakgegevens
Op 20 februari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zutphen
- Datum uitspraak
- 20 februari 2026
- Datum publicatie
- 7 april 2026
- Zaaknummer
- 462862 KG RK 26-109
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2620
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoeker is niet-ontvankelijk. Wraking van de wrakingskamer nadat een beslissing is genomen.
Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/05/462862 KG RK 26-109
Beslissing
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. drs. T.P.E.E. van Groeningen, mr. W. Loof en mr. S.A.L. van de Sande,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 2 februari 2026.
2 Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters als leden van de wrakingskamer in de zaak met zaaknummer C/05/461109 / KG RK 25-941.
Verzoeker verzoekt aan de wrakingskamer om:
1. de gevraagde wraking gegrond te verklaren en de genomen beslissing van 28 januari 2026 terug te nemen en te vernietigen;
2. de verzochte wraking van mr. G.W.B. Heijmans gegrond te verklaren; en
3. voor zover mogelijk, de gedane verzoeken in het wrakingsverzoek van 12 december 2025 van mr. Heijmans toe te wijzen.
Verzoeker legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat uit de beslissing van de rechters van de wrakingskamer het gerechtvaardigde vermoeden van vooringenomenheid en partijdigheid blijkt. Tijdens de zitting is er geen moment geweest waarop hij gedacht heeft aan een gerechtvaardigd vermoeden van vooringenomenheid en van partijdigheid. Dat vermoeden is ontstaan na bekendmaking van de beslissing. Die vooringenomenheid en partijdigheid vindt haar grond in het uitgangspunt van de beslissing van de rechters waar alle door mr. Heijmans gegeven beslissingen gekwalificeerd worden als processuele beslissingen. Door alle beslissingen zo te kwalificeren, is er geen onderscheid tussen de genomen beslissingen en is het onmogelijk om een rechter of wrakingskamer te wraken. Volgens verzoeker is dan oppervlakkig gezien elke beslissing die is genomen tijdens een procesverloop een processuele beslissing. De rechters hebben het begrip ‘processuele beslissing’ ten onrechte geïntroduceerd en zonder enige weging van de genomen beslissing is het een onrechtmatige kwalificatie waardoor een terechte veronderstelling van vooringenomenheid en partijdigheid kan worden verondersteld.
Verder is volgens verzoeker de overweging in het eerste deel van punt 2.6 van de beslissing van de wrakingskamer van 28 januari 2026 volledig onjuist en niet in overeenstemming met hetgeen door verzoeker is gesteld. Anders dan de rechters in de beslissing van 28 januari 2026 overwegen, is de Minister van Justitie en Veiligheid geen getuige, maar een procespartij. Door de beslissing van mr. Heijmans vervolgens als processuele beslissing te kwalificeren worden de rechters mede schuldig aan het gerechtvaardigde ernstige vermoeden van vooringenomenheid en partijdigheid van mr. Heijmans en om die reden kunnen de rechters niet meer als onpartijdig worden beschouwd.
3 De beoordeling
De wrakingskamer begrijpt dat verzoeker verzoekt om wraking van de rechters van de wrakingskamer en om herziening van de wrakingsbeslissing van 28 januari 2026 van deze rechters.
Een wrakingsverzoek kan alleen gericht worden tegen rechters bij wie een zaak in behandeling is. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van wraking nadat einduitspraak is gedaan. Dit geldt ook voor het wraken van de wrakingskamer nadat op het wrakingsverzoek is beslist. In dit geval hebben de rechters in hun hoedanigheid van leden van de wrakingskamer het wrakingsverzoek van 12 december 2025 bij beslissing van 28 januari 2026 afgewezen. Daarmee is de behandeling van het wrakingsverzoek geëindigd. Gelet daarop kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.
De wrakingskamer zal verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot wraking. Dit betekent dat aan de beoordeling van de aan het wrakingsverzoek gekoppelde verzoeken, zoals opgenomen onder 2.2., punt 1 tot en met 3, niet wordt toegekomen.
Voor een behandeling van het verzoek ter zitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt door de niet-ontvankelijkheid van het verzoek niet toegekomen.
4 De beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.C.A.M. Janssen, voorzitter, mr. M.J. Wasmann en mr. F.M.C. Boesberg, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op .
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.