Intellectueel-eigendomsrecht
Tussenvonnis. Auteursrecht op rekenmodellen. Onrechtmatig handelen. Bewijsopdracht.
Rechtbank Gelderland, 27 oktober 2021
ECLI:NL:RBGEL:2021:8195 · Rechtbank Gelderland · 27 oktober 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-gelderland/civiel-recht/intellectueel-eigendomsrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbgel-2021-8195
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2021 heeft de Rechtbank Gelderland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over intellectueel-eigendomsrecht.
- Instantie
- Rechtbank GelderlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2021
- Datum publicatie
- 9 augustus 2022
- Zaaknummer
- C/05/382600 / HA ZA 21-50
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Intellectueel-eigendomsrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBGEL:2021:8195
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Tussenvonnis. Auteursrecht op rekenmodellen. Onrechtmatig handelen. Bewijsopdracht.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/382600 / HA ZA 21-50
Vonnis van 27 oktober 2021
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. N. Vrugt te Tilburg,
tegen
1 [gedaagde 1]
,
wonende te [woonplaats] ,
2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
advocaat mr. H.J.A.M. Dohmen te Tilburg.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenvonnis van 31 maart 2021
-
het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 8 juni 2021.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] exploiteert een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de namen ‘ [onderneming 1 van eiser] (hierna: [onderneming 1 van eiser] ), ‘ [onderneming 2 van eiser] ’, ‘ [onderneming 3 van eiser] ’ en ‘ [onderneming 4 van eiser] ’. [onderneming 1 van eiser] biedt aan kleine ondernemingen producten en diensten aan, zoals financiële trainingen, handboeken en eenvoudige Excel-rekenmodellen in de vorm van templates. Op de websites van [onderneming 1 van eiser] , [webadres 1] en [webadres 2] , kunnen klanten tegen betaling dergelijke Excel-rekenmodellen downloaden, waarmee ze berekeningen kunnen uitvoeren.
Enkele voorbeelden van door [onderneming 1 van eiser] aangeboden rekenmodellen zijn ‘ [rekenmodel 1] ’, ‘ [rekenmodel 2] ’, ‘ [rekenmodel 3] ’ en ‘ [rekenmodel 4] . Een aantal rekenmodellen is verzameld in bepaalde door [onderneming 1 van eiser] samengestelde ‘toolkits’ die klanten kunnen aanschaffen.
[gedaagde 1] exploiteert een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [onderneming van gedaagde 1] (hierna: [onderneming van gedaagde 1] ), die eveneens producten en diensten aanbiedt aan ondernemingen, waaronder Excel-rekenmodellen in de vorm van templates. Op de website van [onderneming van gedaagde 1] , [webadres 3] , kunnen klanten tegen betaling dergelijke rekenmodellen downloaden, waarmee ze berekeningen kunnen uitvoeren. Aan de onderneming van [gedaagde 1] is ook de website [webadres 4] verbonden. Deze linkt door naar de website [webadres 3] .
[gedaagde 2] is de levenspartner van [gedaagde 1] . Blijkens de website [webadres 3] is [gedaagde 2] als ‘Webdesigner, Transportcalculator, Excel, VBA, PHP, HTML, CSS en SQL programmeur’ betrokken bij de onderneming van [gedaagde 1] . De domeinnamen van de hiervoor onder 2.3 genoemde websites van [gedaagde 1] staan geregistreerd op zijn naam.
[gedaagde 2] heeft op 27 januari 2013 bij [onderneming 1 van eiser] een boekhoudpakket aangeschaft.
Bij brief van 8 juni 2016 heeft de (toenmalige) advocaat van [eiser] [gedaagde 2] bericht dat het door [gedaagde 2] op de markt gebrachte boekhoudprogramma ‘ [naam] ’ en het facturatieprogramma ‘ [naam] ’ een inbreuk vormen op het auteursrecht van [eiser] . [gedaagde 2] is verzocht het gebruik van deze programma’s te staken en met [eiser] in overleg te treden over vergoeding van diens schade. Bij brief van 20 juni 2016 heeft [gedaagde 1] , mede namens [gedaagde 2] , afwijzend gereageerd op dit verzoek.
Bij e-mail van 12 december 2018 heeft de (toenmalige) advocaat van [eiser] aan [gedaagde 1] bericht dat zij op haar website gebruik maakt van templates van [eiser] en daarmee inbreuk maakt op het auteursrecht van [eiser] op die templates, en onrechtmatig handelt jegens [eiser] . [gedaagde 1] is verzocht de verkoop van de betreffende templates te staken en de schade van [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen te vergoeden. Bij e-mail van 14 december 2018 heeft [gedaagde 1] afwijzend op deze sommatie gereageerd.
[eiser] is vervolgens een kort gedingprocedure gestart tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Bij vonnis van 20 maart 2019 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland zijn alle vorderingen van [eiser] afgewezen. De voorzieningenrechter overwoog onder meer het volgende:
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] , gelet op de betwisting door [gedaagde 1] c.s., niet kunnen volstaan met de enkele stelling dat hij bij het ontwerpen van de templates creatieve keuzes heeft gemaakt, bijvoorbeeld ten aanzien van de aan te bieden functionaliteit, gekozen invoervelden, lay-out en benamingen. Hij had voldoende moeten onderbouwen welke keuzes dit precies betrof en waarom dit oorspronkelijke, vrije, creatieve keuzes van hem zijn geweest. Nu hij dit heeft nagelaten, kan niet worden vastgesteld welke elementen van de templates of combinatie daarvan volgens [eiser] auteursrechtelijk beschermd zijn en kan onvoldoende worden beoordeeld of de keuze voor deze afzonderlijke elementen van de templates of de combinatie daarvan inderdaad een vrije en creatieve keuze van [eiser] is geweest en niet een keuze die enkel is bepaald door eisen van functionaliteit of is ontleend aan templates die reeds op de markt waren toen [eiser] zijn templates vervaardigde en ging verkopen. Derhalve is onvoldoende aannemelijk geworden dat op de betreffende templates van [eiser] een auteursrecht van hem rust, zodat niet ingegaan hoeft te worden op wat partijen verder hebben aangevoerd.
3 Het geschil
[eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I.
voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , althans [gedaagde 1] of [gedaagde 2] , inbreuk maken op de auteursrechten van [eiser] ,
II.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] , althans [gedaagde 1] of [gedaagde 2] , gebiedt iedere inbreuk op de auteursrechten van [eiser] te staken en gestaakt te houden,
III.
voor recht verklaart dat [gedaagde 2] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [eiser] en daarmee wanprestatie pleegt jegens [eiser] ,
IV.
voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, althans [gedaagde 1] of [gedaagde 2] , jegens [eiser] aansprakelijk zijn voor de onrechtmatige handelingen onder I en/of de wanprestatie onder III,
V.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] , althans [gedaagde 1] of [gedaagde 2] , beveelt om binnen zes weken na betekening van dit vonnis aan [eiser] rekening en verantwoording af te leggen waaruit de gemaakte winst met de inbreukmakende rekenmodellen en onderneming blijkt door de raadsmannen van [eiser] te voorzien van een door een registeraccountant, althans een onafhankelijke, gekwalificeerde boekhouder, opgestelde verklaring, welke verklaring tenminste het volgende dient te bevatten:
a. de productielijst van de inbreukmakende rekenmodellen,
b. de licentietarieven van de inbreukmakende rekenmodellen,
c. het totale aantal verkochte licenties voor de inbreukmakende rekenmodellen,
d. de totale met de inbreukmakende rekenmodellen genoten winst, en
e. inzage hoe de winst is berekend,
VI.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, althans [gedaagde 1] of [gedaagde 2] , gebiedt binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de volgende rectificatie voor een minimale duur van 14 dagen, in een duidelijk leesbaar en gangbaar lettertype (zwarte kleur tegen een witte achtergrond) op een duidelijk leesbare en gangbare plaats (direct onder de menubalk van de website van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en boven het prominente zoekveld op de website van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , over de hele breedte van de daar vertoonde pagina), zonder enige aanvullingen of wijzigingen op de homepages van hun websites en social media kanalen te plaatsen:
“De door [naam] aangeboden rekenmodellen maken inbreuk op de auteursrechten van [onderneming 1 van eiser] ook wel bekend onder de naam [onderneming 2 van eiser] . De rekenmodellen van [naam] zijn zonder toestemming van [onderneming 1 van eiser] ontleend aan de door [onderneming 1 van eiser] aangeboden rekenmodellen. Wij waren hiertoe niet gerechtigd. Bij wijze van dit bericht wenst [naam] de ontlening van de rekenmodellen te rectificeren. Ten onrechte hebben we de indruk gewekt dat de rekenmodellen door ons zouden zijn gemaakt. De rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft ons op straffe van verbeurte van een dwangsom verplicht deze rectificatie te plaatsen.”
VII.
bepaalt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , althans [gedaagde 1] of [gedaagde 2] , een dwangsom verbeuren van
€ 5.000,00, althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, voor elke dag of gedeelte van een dag dat nakoming van het gevorderde onder II., V. en/of VI. geheel of gedeeltelijk uitblijft, zulks tegen behoorlijk bewijs van kwijting,
VIII.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, althans [gedaagde 1] of [gedaagde 2] , veroordeelt tot afdracht, zulks tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van de met de inbreuken genoten winst en/of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van de onrechtmatige handelingen en/of de wanprestatie, een en ander nader op te maken bij staat, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, en te vereffenen volgens de wet,
IX.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, althans [gedaagde 1] of [gedaagde 2] , veroordeelt tot vergoeding, zulks tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van de over sub VIII. ontstane wettelijke (handels)rente vanaf de dag(en) van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening (P.M.), een en ander nader op te maken bij staat, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, en te vereffenen volgens de wet,
X.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de kosten van deze procedure ex artikel 1019h Rv.
[eiser] legt kort gezegd het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] maken inbreuk op de auteursrechten van [onderneming 1 van eiser] door de door [eiser] ontwikkelde rekenmodellen, althans bewerkingen daarvan, aan te bieden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verschillende auteursrechtelijk beschermde trekken van de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] overgenomen. Ook stemmen de totaalindrukken van de inbreukmakende rekenmodellen van [onderneming van gedaagde 1] overeen met de totaalindrukken van de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] . Zij zijn gelet op de grote mate van overeenstemming tussen (delen van) de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] en (delen van) de inbreukmakende rekenmodellen evident ontleend aan de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] .
Door de inbreukmakende rekenmodellen ter beschikking te stellen aan [onderneming van gedaagde 1] , die deze vervolgens heeft verveelvoudigd en openbaar gemaakt en daarmee inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van [onderneming 1 van eiser] , schiet [gedaagde 2] ook tekort in zijn contractuele verplichtingen jegens [onderneming 1 van eiser] . Het is [gedaagde 2] op grond van de algemene voorwaarden van [onderneming 1 van eiser] en de tot stand gekomen licentieovereenkomst immers niet toegestaan om de licentie over te dragen aan een derde en/of om de rekenmodellen voor een ander doel te gebruiken dan voor het gebruik als rekenmodel.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren samengevat het volgende verweer. [onderneming 1 van eiser] heeft geen auteursrecht op de vier door [eiser] genoemde rekenmodellen. De elementen die worden genoemd zijn óf technisch of functioneel bepaald, óf banaal of triviaal. Bovendien zijn zij ontleend aan het Umfeld of zijn ze door [gedaagde 1] zelf bedacht. Voorts zijn de totaalindrukken anders, zodat, gelet op de kleine beschermingsomvang, van inbreuk geen sprake kan zijn. Van wanprestatie is geen sprake nu het verkoopproces anders werkte ten tijde van de aankoop en er dus geen algemene voorwaarden en/of licentieovereenkomst zijn/is overeengekomen. [gedaagde 2] heeft derhalve niet strijdig met de overeenkomst gehandeld.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Vooraf
De rechtbank verwerpt het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat [eiser] slechts licentienemer is van [licentieverlener] , dat hij daarom geen rechten op Excel-sjablonen kan creëren anders dan hem door licentieverlener [licentieverlener] is toegestaan en dat nu [eiser] niets heeft gesteld over de reikwijdte of zelfs het bestaan van een licentie van [licentieverlener] , de vorderingen reeds om die reden dienen te worden afgewezen. [eiser] beroept zich immers op de bescherming van hetgeen hij in Excel heeft gemaakt en niet op de bescherming van het Excel-programma zelf.
Zoals hierna zal blijken zal bij de huidige stand van zaken nog geen oordeel kunnen worden gegeven over de vraag of de rekenmodellen die in de dagvaarding zijn opgenomen dezelfde rekenmodellen zijn, althans er hetzelfde uitzien, als de rekenmodellen die [gedaagde 2] in 2013 bij [onderneming 1 van eiser] heeft aangeschaft en of de in de dagvaarding opgenomen rekenmodellen op enig moment door [eiser] zijn gemanipuleerd, zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen. Om die reden zal de rechtbank thans eerst ingaan op de vraag of het bij de rekenmodellen gaat om auteursrechtelijk beschermde werken en zo ja, of sprake is van enige inbreuk daarop. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op zichzelf niet betwisten dat [gedaagde 2] op 27 januari 2013 een boekhoudpakket heeft aangekocht bij [onderneming 1 van eiser] .
Zijn de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] auteursrechtelijk beschermd?
Om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen, is volgens vaste rechtspraak vereist dat het desbetreffende werk een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Dat het voortbrengsel een eigen, oorspronkelijk karakter moet hebben, houdt in dat de vorm niet ontleend mag zijn aan die van een ander werk. De eis dat het werk oorspronkelijk moet zijn, betekent dat het een eigen intellectuele schepping van de maker moet zijn die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije creatieve keuzes van de maker bij de totstandkoming van het werk. Daarbuiten valt in elk geval alles wat een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen. Ook elementen van een werk die louter een technisch effect dienen of te zeer het resultaat zijn van een door technische uitgangspunten beperkte keuze zijn uitgesloten van bescherming. Daarbij verdient opmerking dat deze uitsluiting van auteursrechtelijke bescherming zich niet uitstrekt tot alle elementen die een technische functie bezitten: daarmee zou de industriële vormgeving ten onrechte buiten het bereik van het auteursrecht worden geplaatst. Het feit dat het werk voldoet aan technische en functionele eisen laat onverlet dat de ontwerpmarges of keuzemogelijkheden zodanig kunnen zijn dat voldoende ruimte bestaat voor creatieve keuzes van de maker die een werk in auteursrechtelijke zin kunnen opleveren. Ook een verzameling of een bepaalde selectie van op zichzelf niet beschermde elementen kan een (oorspronkelijk) werk zijn in de zin van de Auteurswet, mits die selectie het persoonlijk stempel van de maker draagt. Ten slotte geldt dat de enkele omstandigheid dat het werk of bepaalde elementen daarvan, passen binnen een bepaalde mode, stijl of trend niet betekent dat het werk of deze elementen zonder meer onbeschermd zijn. Onderzocht moet worden of de vormgeving van de (combinatie van de) verschillende elementen zodanig is dat aangenomen kan worden dat met het ontwerp door de maker op een voldoende eigen wijze uiting is gegeven aan de vigerende stijl, trend of mode.
[eiser] stelt dat hij bij het maken van de rekenmodellen veel creatieve vrijheid heeft. Hij wijst daarbij op de plaats in de sheet waar gegevens worden ingevoerd en waar zich teksten en formules bevinden, de gebruikte teksten en formulering daarvan, de indeling van de rekenmodellen, de namen van de tabbladen, de formules, functies en macro’s, de bereiknamen, de wijze waarop de output gepresenteerd wordt, de functies en mogelijkheden die de eindgebruikers krijgen, de vormgeving en kleur van cellen, tekst en tabellen, het gebruikte lettertype en de algehele opmaak van een document. Volgens [eiser] zijn deze keuzes en de concrete door hem gebruikte combinatie van op zichzelf onbeschermde elementen de auteursrechtelijk beschermde trekken waarvoor hij thans bescherming inroept.
Bij de beoordeling of sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk in de zin van artikel 10 Aw brengt de rechtbank de hiervoor door [eiser] genoemde elementen terug tot de onderdelen ‘teksten’, ‘opmaak (hoe ziet het rekenmodel eruit?)’ en ‘inhoud (formules, functies en macro’s ed)’.
Voor wat betreft de teksten is de rechtbank van oordeel dat bij de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk. De door [onderneming 1 van eiser] gebruikte teksten zijn voldoende origineel, waarbij creatieve keuzes zijn gemaakt, zodat die teksten een eigen oorspronkelijk karakter hebben en het persoonlijk stempel van de maker dragen. Niet kan worden geoordeeld dat bedoelde teksten zo banaal of triviaal zijn dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen. Weliswaar bevatten de teksten feitelijke informatie, maar daarbij zijn creatieve keuzes gemaakt met als doel te komen tot eenvoudig taalgebruik, zodat de rekenmodellen zo gebruiksvriendelijk mogelijk zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank geldt het voorgaande ook voor de opmaak van de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] . Op tal van punten zijn creatieve keuzes gemaakt – zoals welke informatie (teksten, headers, features, afbeeldingen en tabellen) wordt weergegeven in de rekenmodellen en in welke volgorde en op welke positie, welke selectiemogelijkheden heeft de gebruiker in een bepaalde cel en hoe wordt er gebruik gemaakt van kleuren, lettertypen, randen, arcering en nadruk – zodat ook hier sprake is van een eigen oorspronkelijk karakter en een persoonlijk stempel van de maker.
Met betrekking tot de inhoud overweegt de rechtbank dat bij de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] geen sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk. Weliswaar zijn er door [eiser] keuzes gemaakt, maar deze zijn voor een aanzienlijk deel het resultaat van een door technische uitgangspunten beperkte keuze, dan wel is slechts sprake van een selectie en/of rangschikking van gegevens die uitsluitend is gebaseerd op wetenschappelijke kennis en inzichten. Op dit onderdeel is dus geen sprake van een eigen oorspronkelijk karakter en een persoonlijk stempel van de maker.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen nog dat [eiser] slechts zeer geringe wijzigingen heeft toegevoegd aan het oudere Umfeld. Dat zijn banale en triviale toevoegingen die geen andere totaalindruk geven dan dat Umfeld. Als er al enig auteursrecht is, dan zijn de kenmerkende eigenschappen eerder te vinden bij het oudere Umfeld dan in de toevoegingen van [eiser] . Op internet zijn tal van gratis rekenmodellen te vinden die veel overeenkomsten bevatten met de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] . In zoverre is er sprake van afgeleid werk, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
De rechtbank is van oordeel dat het oudere Umfeld niet in de weg staat aan de nieuwheid en het eigen karakter van de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] . Aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kan worden toegegeven dat er op internet soortgelijke rekenmodellen te vinden zijn, maar dat laat onverlet dat bij de onderdelen teksten en opmaak van de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] sprake is van een creatieve combinatie van elementen die tezamen niet in een ander, ouder rekenmodel (op internet) zijn terug te vinden. Daarmee heeft [onderneming 1 van eiser] voldoende afstand genomen tot het zogenaamde vormgevingserfgoed.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat moet worden aangenomen dat voor wat betreft de onderdelen teksten en opmaak de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] een eigen oorspronkelijk karakter hebben en het persoonlijk stempel van de maker dragen en dus een auteursrechtelijk beschermd werk zijn in de zin van artikel 10 Aw.
Maken [gedaagde 1] en [gedaagde 2] inbreuk op de auteursrechtelijk beschermde werken van [onderneming 1 van eiser] ?
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van inbreuk op het auteursrecht van [onderneming 1 van eiser] dient te worden beoordeeld in welke mate de totaalindrukken van het beweerdelijk inbreukmakende werk en het beweerdelijk bewerkte of nagebootste werk overeenstemmen.
Wanneer de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] en de rekenmodellen van [onderneming van gedaagde 1] met elkaar worden vergeleken leidt deze vergelijking naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de teksten tot de conclusie dat de rekenmodellen van [onderneming van gedaagde 1] nagenoeg een-op-een zijn overgenomen van de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] . Daarmee zijn die rekenmodellen onmiskenbaar ontleend aan de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] . Illustratief in dit verband is dat de in de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] gemaakte ‘fouten’ (zoals bijvoorbeeld een foutieve waarde voor belastingschijf 1 in 2008, vijf onnodige spaties in de formule in cel H12 van het tabblad ‘Calc’, een dubbele spatie tussen de woorden ‘om’ en ‘rood’ in een introductietekst en enkele andere typfouten) ook in de inbreukmakende rekenmodellen van [onderneming van gedaagde 1] zijn blijven staan, dan wel zijn overgenomen. Voor een overzicht van deze fouten heeft [eiser] verwezen naar productie 43. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een en ander als zodanig niet weersproken. Hierna heeft de rechtbank enkele voorbeelden opgenomen waaruit genoemde ontlening blijkt.
tekst [onderneming 1 van eiser] versus tekst [onderneming van gedaagde 1] :
tekst [onderneming 1 van eiser] versus tekst [onderneming van gedaagde 1] :
tekst [onderneming 1 van eiser] versus tekst [onderneming van gedaagde 1] :
tekst [onderneming 1 van eiser] versus tekst [onderneming van gedaagde 1] :
Bij een vergelijking tussen de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] en de rekenmodellen van [onderneming van gedaagde 1] met betrekking tot de opmaak komt de rechtbank tot een andersluidend oordeel. Er zijn duidelijke verschillen waarneembaar – zo valt met name het kleurverschil direct op – die naar het oordeel van de rechtbank meebrengen dat de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] en de rekenmodellen van [onderneming van gedaagde 1] een dusdanig verschillende totaalindruk wekken, dat niet kan worden gezegd dat in de rekenmodellen van [onderneming van gedaagde 1] de onderscheidende elementen van de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] zijn overgenomen, en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarmee inbreuk maken op het auteursrecht van [onderneming 1 van eiser] . Hierna heeft de rechtbank enkele voorbeelden opgenomen die dit illustreren.
opmaak [onderneming 1 van eiser] : opmaak [onderneming van gedaagde 1] :
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
opmaak [onderneming 1 van eiser] : opmaak [onderneming van gedaagde 1] :
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
Uit het voorgaande volgt dat in beginsel slechts voor wat betreft de teksten de rekenmodellen van [onderneming van gedaagde 1] verveelvoudigingen betreffen van de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] en daarmee inbreuk maken op het exclusieve verveelvoudigingsrecht van [eiser] / [onderneming 1 van eiser] met betrekking tot deze teksten.
Is er sprake van onrechtmatig handelen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ?
Tijdens de mondelinge behandeling is nog aan de orde gekomen de vraag of in dit geval (ook) sprake kan zijn van onrechtmatig handelen, meer in het bijzonder van het handelen in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid, wanneer de ene partij rekenmodellen van de andere partij aanschaft, kopieert en vervolgens in minimaal aangepaste vorm onder haar eigen naam op de markt brengt.
Uitgangspunt in zo’n situatie is dat het aanhaken bij of profiteren van andermans inspanningen in beginsel niet in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid jegens die ander, ook niet als die ander daarvan nadeel ondervindt. Daarop bestaan echter uitzonderingen, zoals wanneer sprake is van een éénlijnsprestatie of van oneerlijke mededinging door onrechtmatig profiteren van andermans prestatie.
Naar het oordeel van de rechtbank leveren de inspanningen en prestaties van [eiser] in dit geval een éénlijnsprestatie op, dat wil zeggen een prestatie van dien aard dat zij op één lijn valt te stellen met die welke toekenning van een absoluut recht van intellectuele eigendom rechtvaardigt. Hiervoor is immers al geoordeeld dat moet worden aangenomen dat voor wat betreft de teksten en opmaak de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] een eigen oorspronkelijk karakter hebben en het persoonlijk stempel van de maker dragen en dat voor wat betreft de teksten de rekenmodellen van [onderneming van gedaagde 1] onmiskenbaar zijn ontleend aan de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] .
Indien derhalve komt vast te staan dat de rekenmodellen die in de dagvaarding zijn opgenomen dezelfde rekenmodellen zijn, althans er hetzelfde uitzien, als de rekenmodellen die [gedaagde 2] in 2013 bij [onderneming 1 van eiser] heeft aangeschaft, handelen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in beginsel onrechtmatig jegens [onderneming 1 van eiser] / [eiser] .
Zijn de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] daadwerkelijk van haar afkomstig?
Hiervoor is geoordeeld dat in beginsel de rekenmodellen van [onderneming van gedaagde 1] voor wat betreft de teksten inbreuk maken op het exclusieve verveelvoudigingsrecht van [eiser] / [onderneming 1 van eiser] en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in beginsel onrechtmatig handelen jegens [eiser] / [onderneming 1 van eiser] . Daarvan kan echter alleen sprake zijn indien komt vast te staan dat de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] ook daadwerkelijk van haar afkomstig zijn.
[eiser] stelt in dit verband dat hij de hier aan de orde zijnde rekenmodellen zelf heeft gemaakt. [onderneming 1 van eiser] is de eerste die dit soort rekenmodellen in deze vorm in Nederland op de markt heeft gebracht. Telkens wanneer [onderneming 1 van eiser] een nieuw rekenmodel had gemaakt en deze aanbood op haar websites, trof zij deze korte tijd later ook aan in de webshop van [onderneming van gedaagde 1] , veelal nadat [gedaagde 2] het rekenmodel bij [onderneming 1 van eiser] had aangeschaft. Van de circa 240 door [onderneming van gedaagde 1] aangeboden rekenmodellen zijn er ongeveer 200 geheel of gedeeltelijk afkomstig van [onderneming 1 van eiser] , aldus [eiser] . Hij stelt voorts dat uit de tijdlijnen die hij in het geding heeft gebracht (producties 34 tot en met 38) volgt dat [onderneming 1 van eiser] steeds eerder was dan [onderneming van gedaagde 1] met het aanbieden van een specifiek rekenmodel. [eiser] beschikt in dit verband over de bestanden van alle versies van de door hem ontwikkelde rekenmodellen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren uitvoerig verweer. Zij stellen dat [gedaagde 1] uit dezelfde openbare voorbeelden put waar [eiser] vaak uit put om er vervolgens een eigen draai aan te geven. [eiser] past zijn rekenmodellen aan die van [gedaagde 1] aan om haar van inbreuk te betichten en zo van de markt te drukken. [eiser] is de vier rekenmodellen in 2020 gaan aanpassen om ze op die van [gedaagde 1] te laten lijken.
Ten aanzien van het rekenmodel ‘ [rekenmodel 1] ’ stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat [eiser] het heeft over versie V9. Deze is echter pas in april 2020 door [onderneming 1 van eiser] gepubliceerd. Er wordt nergens aangetoond hoe de versie van 2013 eruit heeft gezien. In april 2020 heeft [onderneming 1 van eiser] diverse rekenmodellen, waaronder het [rekenmodel 1] , geüpdatet en aangepast. In de dagvaarding laat [eiser] alleen de versie met betrekking tot vijf jaar zien, maar [onderneming 1 van eiser] heeft haar rekenmodel aangepast en uitgebreid naar de vijf jaar en 12 maanden versie die [onderneming van gedaagde 1] al vanaf januari 2020 te koop aanbiedt op haar site. Dat de rekenmodellen nu gelijkenissen vertonen is dus niet verwonderlijk, ook gelet op het feit dat [eiser] het [rekenmodel 1] op 27 juli 2020 bij [onderneming van gedaagde 1] heeft aangekocht, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Zij stellen verder dat doordat [eiser] in bezit is van het rekenmodel van [onderneming van gedaagde 1] de introtekst eenvoudig kan zijn overgenomen door [onderneming 1 van eiser] om te doen lijken dat deze van [onderneming 1 van eiser] is. Het is ook niet realistisch dat [onderneming 1 van eiser] een beroep doet op een rekenmodel dat op 27 januari 2013 door [gedaagde 2] zou zijn aangekocht, maar in de dagvaarding enkel afbeeldingen gebruikt zoals het rekenmodel er in 2020 uitziet. Manipulatie kan derhalve niet worden uitgesloten.
Ten aanzien van het rekenmodel ‘ [rekenmodel 2] ’ stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat [onderneming 1 van eiser] deze tool pas op 8 december 2014 op haar website heeft geplaatst, terwijl [eiser] stelt dat de [rekenmodel 2] deel uitmaakt van de Financial Planning Toolkit die door [gedaagde 2] is aangekocht op 27 januari 2013. Op 21 april 2020 vond er een update plaats bij [onderneming 1 van eiser] . De omschrijving ‘omzet versus inkomsten en kosten versus uitgaven’ geeft aan dat de [rekenmodel 2] van [onderneming 1 van eiser] deze functie nog niet had voor die datum. Het rekenmodel van [onderneming 1 van eiser] van 8 december 2014 gaf enkel het verschil aan tussen omzet versus inkomsten en geen kosten versus uitgaven. Ook hier geldt, zo stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , dat doordat [eiser] in bezit is van het rekenmodel van [onderneming van gedaagde 1] de introtekst eenvoudig kan zijn overgenomen door [onderneming 1 van eiser] om te doen lijken dat deze van [onderneming 1 van eiser] is. Het is ook niet realistisch dat [onderneming 1 van eiser] een beroep doet op een rekenmodel dat op 27 januari 2013 door [gedaagde 2] zou zijn aangekocht, maar in de dagvaarding enkel afbeeldingen gebruikt zoals het rekenmodel er nu, in 2021, uitziet. Manipulatie kan dus niet worden uitgesloten, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
Ten aanzien van het rekenmodel ‘ [rekenmodel 3] ’ stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat [onderneming 1 van eiser] dit rekenmodel pas op 5 februari 2015 op haar website heeft geplaatst. [gedaagde 2] heeft dit model dus nooit in 2013 kunnen aankopen. Indien [rekenmodel 3] in de toolkit gezeten zou hebben, is het niet geloofwaardig dat [gedaagde 2] dit gekocht heeft met de intentie om deze te kopiëren en vervolgens ruim 5,5 jaar later door [onderneming van gedaagde 1] te laten uitbrengen. Voorts stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat [onderneming 1 van eiser] dit programma op 22 februari 2019 door [naam] heeft laten aankopen. [onderneming 1 van eiser] is dus in het bezit van het rekenmodel van [onderneming van gedaagde 1] en kan door de aankoop in 2019 diverse aanpassingen hebben gemaakt om de modellen op elkaar te doen lijken. Het is niet realistisch te noemen dat het rekenmodel dat [gedaagde 2] volgens [onderneming 1 van eiser] in 2013 zou hebben aangekocht geen enkele wijziging zou hebben ondergaan. Ook hier kan manipulatie niet worden uitgesloten.
Ten aanzien van ‘ [rekenmodel 4] stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat het onmogelijk is dat [gedaagde 2] dit programma heeft aangekocht op 27 januari 2013, omdat [onderneming 1 van eiser] dit programma pas op 25 april 2017 op haar website heeft geplaatst. Voorts is op de site van [onderneming 1 van eiser] enkel het rekenmodel te zien zoals het er nu uitziet en niet zoals het er in 2013 uitzag. Ook stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat [onderneming 1 van eiser] dit model op 22 februari 2019 heeft laten aankopen door Rudy von Rotz en dat [onderneming 1 van eiser] het model op 25 maart 2020 heeft aangepast en geüpdatet. Dat de rekenmodellen gelijkenissen vertonen is daarmee verklaarbaar. Het is volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet realistisch dat [onderneming 1 van eiser] een beroep doet op een rekenmodel dat op 27 januari 2013 door [gedaagde 2] zou zijn aangekocht, maar in de dagvaarding slechts afbeeldingen gebruikt zoals het rekenmodel er nu uitziet.
Gelet op het uitvoerige verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kan thans niet als vaststaand worden aangenomen dat de rekenmodellen van [onderneming 1 van eiser] uit 2013 afkomstig zijn. Omdat [eiser] zich hier beroept op het rechtsgevolg van de door hem gestelde feiten, namelijk dat [onderneming 1 van eiser] als eerste dit soort rekenmodellen in deze vorm in Nederland op de markt heeft gebracht, dat de rekenmodellen van [onderneming van gedaagde 1] van latere datum zijn en dat gelet op de grote mate van overeenstemming tussen beide modellen de rekenmodellen van [onderneming van gedaagde 1] zijn ontleend (“klakkeloos gekopieerd”) aan die van [onderneming 1 van eiser] , draagt [eiser] overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv ook de bewijslast van die stelling. [eiser] zal dan ook worden opgedragen te bewijzen dat de rekenmodellen die in de dagvaarding zijn opgenomen (en waarop de vorderingen en de daaraan ten grondslag liggende stellingen zijn gebaseerd) dezelfde rekenmodellen zijn, althans er hetzelfde uitzien, als de rekenmodellen die [gedaagde 2] in 2013 bij [onderneming 1 van eiser] heeft aangeschaft.
Als [eiser] slaagt in het bewijs staat vast dat de rekenmodellen van [onderneming van gedaagde 1] voor wat betreft de teksten inbreuk maken op het exclusieve verveelvoudigingsrecht van [eiser] / [onderneming 1 van eiser] en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig handelen jegens [eiser] / [onderneming 1 van eiser] . De rechtbank zal in dat geval nader ingaan op de door [eiser] gestelde schade en de daarmee samenhangende vorderingen. De andere door [eiser] aangevoerde grondslag, wanprestatie aan de zijde van [gedaagde 2] , kan dan verder onbesproken blijven.
Als [eiser] niet slaagt in het bewijs liggen alle vorderingen voor afwijzing gereed. Dit geldt ook voor de vorderingen die betrekking hebben op genoemde wanprestatie aan de zijde van [gedaagde 2] . Immers, indien niet komt vast te staan dat de rekenmodellen die in de dagvaarding zijn opgenomen dezelfde rekenmodellen zijn, althans er hetzelfde uitzien, als de rekenmodellen die [gedaagde 2] in 2013 bij [onderneming 1 van eiser] heeft aangeschaft, en dus geen sprake is van auteursrechtinbreuk en/of onrechtmatig handelen, is ook geen sprake van wanprestatie.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5 De beslissing
De rechtbank
draagt [eiser] op te bewijzen dat de rekenmodellen die in de dagvaarding zijn opgenomen (en waarop de vorderingen en de daaraan ten grondslag liggende stellingen zijn gebaseerd) dezelfde rekenmodellen zijn, althans er hetzelfde uitzien, als de rekenmodellen die [gedaagde 2] in 2013 bij [onderneming 1 van eiser] heeft aangeschaft,
bepaalt dat, voor zover [eiser] dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. H.F.R. van Heemstra in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijdstip,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 november 2021 voor het opgeven door [eiser] van de getuigen en van hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de dinsdagen in de maanden januari 2022 tot en met maart 2022, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
verwijst voor het geval [eiser] op die roldatum heeft meegedeeld geen getuigenbewijs te willen leveren of geen getuigen of verhinderdata heeft opgegeven de zaak naar de achtste rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor vonnis of, maar alleen indien [eiser] daarom op de onder 5.3 bedoelde roldatum heeft verzocht, naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van [eiser] , waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren,
bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,
bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toegezonden moeten hebben,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.R. van Heemstra en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2021.
Coll.: MvG