Personen- en familierecht

Kinderen hebben vier jaar geen contact met hun vader gehad. Zij zijn in kort geding voorlopig aan de vader…

Rechtbank Gelderland, 16 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2026 heeft de Rechtbank Gelderland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Gelderland
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
C/05/469334
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:8095
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kinderen hebben vier jaar geen contact met hun vader gehad. Zij zijn in kort geding voorlopig aan de vader toevertrouwd en hebben nagenoeg geen contact met hun moeder. Dit is een uitkomst die niemand in het belang van de kinderen acht, ook deze rechtbank niet. De rechtbank heeft er nog vertrouwen in dat het gewenste einddoel, namelijk twee ouders in het leven van deze kinderen, bereikt kan worden. Dit vraagt van de moeder, de vader en de GI dat er de komende tijd stappen worden gezet. Daarnaast is een nieuw toetsmoment nodig om te beoordelen hoe het verder moet als die stappen niet gezet worden. Aanhouding van de beslissing met opdracht aan de GI

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/469334 / FA RK 26-2599

C/05/469301 / JE RK 26-716

Datum uitspraak: 16 oktober 2026

beschikking op grond van artikel 1:253a BW en over vervanging GI

in de zaak van

[de moeder] , hierna de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. P.K. de Blieck-Willemsen uit Vaassen,

tegen

[de vader] , hierna de vader,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. J. van Vonderen-Jagersma uit De Meern.

De rechtbank merkt als informant aan:

de gecertificeerde [instelling] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de moeder, ingekomen op 1 juli 2026;

- het F9-formulier van de moeder van 7 juli 2026 met producties 15 t/m 18;

- het F9-formulier van de moeder van 21 juli 2026 met producties 1 en 2;

- het bericht van de GI van 24 juli 2026 met evaluatie;

- het gewijzigde/aanvullende verzoek van de moeder van 22 september 2026 met producties 19 t/m 27;

- het bericht van de GI van 22 september 2026;

- het verweerschrift van de vader van 22 september 2026;

- het F9-formulier van de moeder van 22 september 2026 met productie 28;

- de brief van de moeder van 23 september 2026 met productie 29;

- het bericht van de GI van 24 september 2026 met stand van zaken;

- de stukken van de vader van 24 september 2026 met producties 23 t/m 27.

1.2.

De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij

hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling van 25 september 2026 van de meervoudige kamer zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. P.K. de Blieck-Willemsen;

- de vader, bijgestaan door mr. J. van Vonderen-Jagersma;

- een vertegenwoordiger van de GI;

- een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

De verzoeken zijn gezamenlijk behandeld met de procedure over de schriftelijke aanwijzing van de GI van 18 mei 2026.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.

2.2.

Zij hebben samen twee kinderen:

  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ;

  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] .

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

2.3.

Bij beschikking van 1 december 2023 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 17 augustus 2026. De ondertoezichtstelling loopt tot 1 september 2027.

2.4.

Bij beschikking van 15 augustus 2025 van de rechtbank Midden-Nederland is de zorgregeling uit het ouderschapsplan gewijzigd en is bepaald dat de kinderen elke vrijdag uit school tot het avondeten bij de vader verblijven en dat onder de regie van de GI wordt toegewerkt naar een week-op-week-afregeling met wisselmoment op vrijdag uit school.

2.5.

Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Midden-Nederland van 19 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter de kinderen voorlopig aan de vader toevertrouwd.

2.6.

Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 19 februari 2026 heeft de kinderrechter de GI opgedragen om de voorlopige plaatsing van de kinderen bij de vader voor te bereiden en uit te voeren met inzet van passende hulpverlening bij de vader thuis. De kinderrechter heeft de uitvoering van de (voorlopige) zorgregeling tussen de kinderen en de moeder in handen van de GI gelegd, waarbij de GI zelfstandig de aanvang, plaats en duur van het contact mag bepalen. De kinderrechter heeft de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om een NIFP-onderzoek te gelasten en heeft haar verzoek om een bijzonder curator te benoemen afgewezen.

2.7.

Op 9 maart 2026 zijn de kinderen onder politiebegeleiding overgeplaatst naar de vader.

2.8.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest in kort geding van 31 maart 2026 het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 19 februari 2026 bekrachtigd.

2.9.

Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Midden-Nederland van 7 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de vader vervangende toestemming verleend om de kinderen op een andere school in te schrijven.

2.10.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 16 juni 2026 de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 19 februari 2026 bekrachtigd.

2.11.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest in kort geding van 16 juni 2026 het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 7 april 2026 bekrachtigd.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De moeder verzoekt na wijziging/aanvulling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat de kinderen aan de moeder worden toevertrouwd, met vaststelling dat de hoofdverblijf bij de moeder zal zijn;

II. de moeder vervangende toestemming te verlenen om de kinderen te mogen uitschrijven van de huidige middelbare school en (her) in te schrijven op [naam] in [woonplaats] ;

III. de Raad voor de Kinderbescherming dan wel het NIFP te gelasten een onderzoek in te stellen aan welke ouder de kinderen dienen te worden toevertrouwd, alsmede welke zorgregeling in het belang van de kinderen is, alsmede welke school in het belang van de kinderen is;

IV. te bepalen dat het plan opgesteld door [instelling] wordt opgepakt om tot contactherstel te komen met de vader en toe te werken naar een co-ouderregeling;

V. een bijzonder curator te benoemen voor de kinderen;

dan wel een beslissing te nemen als de rechtbank juist acht.

De moeder heeft tijdens de zitting bevestigd dat zij haar oorspronkelijke verzoek intrekt waarin zij vraagt provisionele voorzieningen te treffen.

3.2.

De moeder verzoekt de rechtbank daarnaast om de GI, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door de gecertificeerde instelling [instelling] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.3.

De vader voert verweer tegen alle verzoeken van de moeder en verzoekt de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

De vader stelt dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoeken. Hij stelt dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden en dat deze procedure neerkomt op een verkapt hoger beroep. Er is sprake van langdurig contactverlies tussen de kinderen en de vader. De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechter om de kinderen aan hem toe te vertrouwen en ze is het niet eens met aanpak van de GI. Het is deze weerstand die ‘incidenten’ veroorzaakt met de kinderen, maar daarmee is er geen sprake van gewijzigde omstandigheden. Het contactverlies en de daarop ingezette interventie zijn namelijk al aan de orde geweest in eerdere procedures.

4.2.

De moeder betwist dat er sprake is van een verkapt hoger beroep. Zij stelt dat er wel degelijk sprake is van een gewijzigde situatie die een nieuwe beoordeling vraagt. Er is inmiddels een half jaar voorbij sinds de beslissing in kort geding waarbij de kinderen aan de vader zijn toevertrouwd. De kinderen geven op meerdere plekken aan dat het niet goed met hen gaat en dat zij niet bij hun vader willen zijn. Het verblijf bij hun vader heeft de kinderen geen rust gebracht. De kinderen zijn bovendien op een leeftijd dat hun mening serieus moet worden genomen.

4.3.

De rechtbank zal de moeder ontvangen in haar verzoek. Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Midden-Nederland van 19 februari 2026 zijn de kinderen voorlopig toevertrouwd aan de vader. Bij beschikking van diezelfde rechtbank van 19 februari 2026 heeft de kinderrechter de GI opgedragen om de voorlopige plaatsing van de kinderen bij de vader voor te bereiden en uit te voeren met inzet van passende hulpverlening bij de vader thuis. Het gerechtshof heeft deze beslissingen bekrachtigd.

4.4.

Een beslissing is kort geding is bedoeld als een tijdelijke maatregel. Deze maatregel geldt tot in een bodemprocedure is beslist. De rechtbank stelt vast dat er nog geen bodemprocedure is gevoerd over de vraag bij welke ouder de kinderen moeten gaan wonen. De kinderen zijn alleen voorlopig aan de vader toevertrouwd, maar hebben formeel nog steeds hun hoofdverblijfplaats bij hun moeder. De moeder heeft belang bij een beslissing over het verblijf van de kinderen, omdat de huidige beslissing enkel een voorlopig karakter heeft. De rechtbank merkt het verzoek van de moeder om toevertrouwing van de kinderen aan als bodemprocedure, voortbordurend op de beslissing in kort geding over de voorlopige toevertrouwing van de kinderen aan de vader.

4.5.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden ten opzichte van de beslissing uit de vorige bodemprocedure. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Bij beschikking van 15 augustus 2025 van de rechtbank Midden-Nederland is de zorgregeling uit het ouderschapsplan gewijzigd en is bepaald dat de kinderen elke vrijdag uit school tot het avondeten bij de vader verblijven en dat onder de regie van de GI wordt toegewerkt naar een week-op-week-afregeling, met wisselmoment op vrijdag uit school. Dit is feitelijk niet langer de situatie, aangezien de kinderen voorlopig aan de vader zijn toevertrouwd en er, zo is tijdens de zitting door de GI toegelicht, (nog) niet wordt toegewerkt naar een co-ouderschap. De GI heeft ook laten weten dat het nog maar de vraag is of dit überhaupt haalbaar is gelet op de reisafstand tussen de ouders. De rechtbank zal de moeder daarom ontvangen in haar verzoek.

Aanhouding

4.6.

De rechtbank zal de beslissing op de verzoeken van de moeder onder I, II en IV en haar verzoek tot vervanging van de GI aanhouden en bepalen dat de zitting wordt voortgezet op een nader te bepalen datum in de maand februari 2027. Omdat de rechtbank nog geen eindbeslissing neemt, houdt zij ook het verzoek van de vader over de proceskosten aan. De rechtbank zal deze beslissing hierna uitleggen.

4.7.

De beslissing in kort geding is genomen met als doel dat de kinderen uiteindelijk beide ouders in hun leven hebben. Tijdens de zitting hebben beide ouders gezegd dat dit ook is wat zij het liefste willen. De moeder gunt de kinderen contact met hun vader en de vader wil dat de kinderen weer contact met hun moeder kunnen hebben. Hij ziet het gemis bij de kinderen.

Het eindresultaat van de beslissingen van 19 februari 2026 kan niet zijn dat de situatie wordt omgekeerd en dat de kinderen die voorheen geen contact met hun vader hadden, nu bijna geen contact met hun moeder hebben. Dit is een uitkomst die niemand in het belang van de kinderen acht, ook deze rechtbank niet. De rechtbank heeft er, gelet op de voorzichtige groei in het contact tussen de kinderen en de vader, nog wel vertrouwen in dat het gewenste einddoel, namelijk twee ouders in het leven van deze kinderen, bereikt kan worden. Dit vraagt echter wel van de moeder, de vader en de GI dat er de komende tijd stappen worden gezet. Daarnaast is er ook een nieuw toetsmoment nodig om te beoordelen hoe het verder moet als die stappen niet gezet gaan of kunnen worden en om te beslissen welke eindsituatie dan het meeste recht doet aan het belang van de kinderen.

Wat wordt er van iedereen verwacht?

4.8.

De moeder meent dat zij emotionele toestemming geeft aan de kinderen voor hun verblijf bij de vader door uit te spreken dat ze het contact tussen de kinderen en de vader belangrijk vindt. De rechtbank neemt aan dat zij heeft geprobeerd de kinderen duidelijk te maken dat het belangrijk is dat ze contact met hun vader hebben, maar het is ook waarschijnlijk dat de kinderen dit nooit als oprecht en authentiek hebben ervaren vanwege de eigen negatieve ervaringen die de moeder met de vader heeft gehad. Zij geeft signalen af die de kinderen anders kunnen opvatten. Een voorbeeld daarvan is dat de moeder op 9 maart, toen de kinderen zouden worden opgehaald voor de plaatsing bij vader, in eerste instantie niet heeft willen zeggen waar de kinderen verbleven. Dat zij tussentijds contact met [minderjarige 2] heeft gehad is ook niet helpend geweest, omdat de moeder daarmee naar de kinderen toe het signaal afgeeft dat ze het niet eens is met de interventie en het plan van aanpak van [persoon] , waarbij er in de eerste en tweede fase geen contact is tussen haar en de kinderen. Daarnaast is tijdens de zitting besproken dat de moeder met diverse mensen in haar netwerk openhartig praat over de situatie. De rechtbank begrijpt dat de moeder haar verhaal kwijt moet en een klankbord nodig heeft, maar dit brengt ook het risico mee dat deze mensen vanuit een grote betrokkenheid dingen doen die juist extra druk op de situatie leggen, zoals het benaderen van de media en de politiek.

4.9.

Tijdens de zitting is gesproken over de eigen hulpvraag van de moeder. De rechtbank constateert dat de moeder hulp heeft bij het verwerken van haar eigen ervaringen met de vader. De rechtbank adviseert de moeder om daarnaast hulp te vragen bij het loskoppelen van haar ervaring met de vader als partner van de rol van vader als ouder van hun kinderen. Door haar eigen negatieve ervaringen kan zij zich verplaatsen in de signalen van de kinderen, maar hierdoor ontstaat ook het risico dat zij hun uitspraken misschien te veel invult of er te veel gewicht aan hangt.

4.10.

Van de GI verwacht de rechtbank dat zij de moeder met een meer open blik benaderen en begrip tonen voor haar gemis en haar zorgen. De manier waarop de GI de moeder benadert ervaart de moeder regelmatig als verwijtend en oneerlijk, doordat de GI de signalen en uitlatingen van de kinderen toeschrijft aan (ongeoorloofd) contact of invloed vanuit de moeder of haar netwerk. Dit komt niet overeen met het beeld dat de rechtbank heeft gekregen vanuit de gesprekken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderen hebben open en eerlijk verteld over hun eigen ervaringen met hun vader en wat zij hierin van hem missen. De kinderen hebben daarin geen enkele koppeling gemaakt met het gemis van hun moeder of haar ervaringen met hem. Het beeld van de kinderen leek niet gekleurd te worden door opvattingen van hun moeder.
De kinderen missen hun moeder als primaire hechtingsfiguur en zij missen hun vertrouwde sociale omgeving in Utrecht, waaronder school, kerk en vriendinnen. De verhuizing naar [plaats] ervaren zij als een cultuurshock. Daarnaast hebben ze het gevoel dat zij door hun vader niet altijd gezien, gehoord en gewaardeerd worden. De rechtbank acht het niet onwaarschijnlijk dat de kinderen hun ervaringen zijn gaan aandikken en op andere plekken zijn gaan uiten (zoals bij de orthodontist) in de hoop dan wel gehoord te worden door de hulpverlening in hun wensen en behoeften. Het is belangrijk dat de GI oog heeft voor deze mogelijkheid en niet alle signalen van de kinderen toeschrijft aan de invloed van hun moeder.

4.11.

De vader zal beter moeten leren aansluiten bij de kinderen. Uit de stukken en de gesprekken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komt naar voren dat de kinderen hem op bepaalde momenten als snel boos ervaren en dat hij hier lang in kan blijven hangen. De vader heeft tijdens de zitting zelf ook verteld dat hij en de kinderen moeite hebben om elkaar goed te lezen. Dat is ook begrijpelijk. De ouders zijn uit elkaar gegaan toen de kinderen nog heel erg jong waren. De ouders zijn in 2016 gescheiden. Na de scheiding hebben zij afgesproken dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en dat de kinderen één weekend in de veertien dagen bij de vader verblijven. Op een gegeven moment hebben de kinderen gezegd dat ze niet meer bij de vader wilden blijven slapen. Op 10 april 2022 is het contact tussen de vader en de kinderen verbroken. De vader en de kinderen hebben elkaar vier jaar lang niet gezien en nu is hij plotseling hoofdverzorger van twee pubermeiden. Dat vraagt nogal wat. Het is duidelijk dat de huidige situatie niet is wat de kinderen willen. Daarom is het extra belangrijk dat de vader probeert om beter bij de kinderen aan te sluiten en hen meer het gevoel geeft dat hij blij met hen is en hen waardeert.

(Nog) geen vervanging van de GI

4.12.

De rechtbank acht het niet in het belang van de kinderen om de GI op dit moment te vervangen. Een vervanging van de GI betekent dat de casus moet worden overgedragen aan een andere organisatie en dat nieuwe jeugdbeschermers, voor zover deze al direct beschikbaar zouden zijn, zich moeten inlezen in een ingewikkelde situatie. Een overdracht kost tijd en dit gaat ten koste van de stappen die nu gezet moeten worden.

De rechtbank heeft er ook vertrouwen in dat dit met de huidige GI kan. Zij zijn immers ook afgeweken van het plan van aanpak van [persoon] en hebben besloten om eerder het contactherstel met de moeder te beginnen, omdat zij zien dat dit in het belang van de kinderen is.

Tegelijkertijd begrijpt de rechtbank ook de zorg van de moeder dat door de GI veel uitlatingen en gedragingen van de kinderen aan haar worden toegeschreven. De rechtbank acht het daarom van belang om over ongeveer een half jaar opnieuw te kijken hoe de situatie is en hoe het dan verder moet.

Uitbreiding van de zorgregeling

4.13.

De moeder heeft op de zitting toegelicht dat haar verzoek onder IV om te bepalen dat het plan opgesteld door [instelling] wordt opgepakt om tot contactherstel te komen met vader en toe te werken naar een co-ouderregeling, breed uitgelegd mag worden in die zin dat zij verzoekt een beslissing over de contacten tussen haar en de kinderen te nemen.

4.14.

Op dit moment ziet de rechtbank geen concrete aanleiding om te veronderstellen dat de doelstelling (een evenwichtige(re) verdeling van de zorg) niet bereikt kan worden. De kinderen voelen zich niet op hun plek bij de vader, maar de rechtbank schat de situatie van de kinderen bij de vader op zichzelf niet zo zorgelijk in dat dit nu om ingrijpen vraagt.

Als de kinderen nu zouden terugkeren naar hun moeder, zal het contact met hun vader vermoedelijk weer wegvallen. [minderjarige 1] heeft uitgesproken dat ze dan niet naar haar vader zal gaan en [minderjarige 2] geeft aan alleen te zullen gaan als het echt moet. Dat betekent dat het afgelopen half jaar dan niets heeft opgeleverd en de voorzichtige groei in het contact tussen de kinderen en de vader teniet wordt gedaan.

4.15.

Wel is het voor de kinderen dringend nodig dat het contact met de moeder wordt uitgebreid en genormaliseerd. De vader zal namelijk nooit in staat zijn de rol van de moeder over te nemen. Als de kinderen zich blijven afzetten tegen de vader en nauwelijks contact met de moeder mogen, zullen zij steeds meer hun eigen plan gaan trekken met alle mogelijke negatieve gevolgen van dien. Dat betekent dus dat de moeder op korte termijn weer een significante rol in het leven van de kinderen moet kunnen spelen, óók als er onrust blijft en de moeder niet voldoende in staat zou blijken tegemoet te komen aan de wensen van de GI. Het kan immers niet zo zijn dat de kinderen daarvoor als het ware worden gestraft of een situatie ontstaat waarin structureel nauwelijks contact met de moeder is, terwijl zij wel hun primaire hechtingsfiguur is en de kinderen hun moeder ook nodig hebben in deze levensfase.

4.16.

De rechtbank ziet geen reden om de contacten tussen de moeder en de kinderen onder begeleiding te laten plaatsvinden. De kinderen hebben behoefte aan normaal contact met hun moeder en er zijn geen aanwijzingen dat de contactmomenten zonder begeleiding emotioneel onveilig of anderszins (te) belastend voor de kinderen zouden zijn. De rechtbank zal de volgende opbouwende regeling vaststellen:

  • de kinderen hebben vanaf de datum van de beschikking een dagdeel per twee weken in het weekend onbegeleide omgang met hun moeder;

  • deze regeling wordt vervolgens uitgebreid naar een hele dag en vervolgens naar een regeling waarbij de kinderen om de week een weekend bij hun moeder verblijven met minimaal één overnachting, te realiseren vóór de volgende zitting. De GI heeft de regie over het tempo van de opbouw en eventuele verdere uitbreiding met extra overnachtingen.

Geen bijzonder curator of onderzoek door het NIFP

4.17.

De rechtbank wijst het verzoek van de moeder om een bijzonder curator te benoemen, af. De rechtbank ziet geen toevoegde waarde in de benoeming van een bijzonder curator om de kinderen een eigen stem te geven. De wens van de kinderen is duidelijk. Er is bovendien veel hulpverlening betrokken waar de kinderen hun verhaal kwijt kunnen. Een extra persoon bij wie zij opnieuw hun verhaal moeten doen, zal hen enkel dwingen om zich negatief uit te laten over hun vader in de hoop terug te mogen keren naar hun moeder. Dat is juist niet helpend.

4.18.

De rechtbank wijst ook het verzoek van de moeder tot het gelasten van een raadsonderzoek of onderzoek door het NIFP af. De rechtbank is van oordeel dat een raadsonderzoek op dit moment geen nieuwe inzichten gaat brengen.

Het verzoek over het NIFP acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De moeder geeft niet aan welke concrete vragen zij beantwoord wenst te zien en hoe haar verzoek zich verhoudt tot de belangen van de kinderen.

Brieven voor de kinderen

4.19.

De kinderen hebben tijdens het kindgesprek gevraagd om hen een brief te sturen waarin staat wat de beslissing is. Tegelijk met de beschikking stuurt de kinderrechter daarom een brief aan de kinderen waarin staat wat de rechtbank beslist en waarom.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

stelt de volgende voorlopige regeling vast tussen de kinderen en de moeder:

  • de kinderen hebben vanaf vandaag een dagdeel per twee weken in het weekend onbegeleide omgang met hun moeder;

  • deze regeling wordt vervolgens uitgebreid naar een hele dag en vervolgens naar een regeling waarbij de kinderen om de week een weekend bij hun moeder verblijven met minimaal één overnachting, te realiseren vóór de volgende zitting. De GI heeft de regie over het tempo van de opbouw en eventuele verdere uitbreiding met extra overnachtingen;

5.2.

verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

houdt de beslissingen over toevertrouwing, hoofdverblijfplaats, contactherstel, school, vervanging van de GI en de proceskosten aan en bepaalt dat de behandeling wordt voortgezet op een nog te plannen zitting bij de meervoudige kamer in de maand februari 2027 met het verzoek aan de advocaten en de GI om:

  • binnen één week hun verhinderdata in te dienen;

  • uiterlijk twee weken voor de nieuwe zitting de rechtbank, de Raad en elkaar te informeren over de actuele stand van zaken en een actueel standpunt in te nemen over de aangehouden verzoeken;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. D.S.M. Bak en mr. dr. drs. E.L. de Jongh, allen (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Cox-Weber als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

-door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

-door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!