Belastingrecht

Beroep ongegrond wegens niet overleggen machtiging. In verzet is – voor zover relevant – aangevoerd dat er in…

Rechtbank Limburg, 3 maart 2022

Zaakgegevens

Op 3 maart 2022 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
3 maart 2022
Datum publicatie
1 maart 2022
Zaaknummer
ROE 21/2670
Procedure
Verzet
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2022:1603
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep ongegrond wegens niet overleggen machtiging. In verzet is – voor zover relevant – aangevoerd dat er in het betreffende dossier wel een machtiging was overgelegd, dan wel dat de betreffende machtiging zich in het dossier in andere zaken van de eisende partij bevond. De rechtbank acht het verzet ongegrond, omdat geen machtiging in het dossier zit en de eisende partij geen andere zaken aanhangig heeft.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 21/2670 V

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2022 op het verzet van

D.A.N. Bartels, beweerdelijk handelend namens Business Trade Center Heerlen-Aachen B.V., te Heerlen, opposant.

Procesverloop

Opposant heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen van 25 juni 2021 (de bestreden uitspraak op bezwaar) beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 21 januari 2022 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Opposant heeft niet verzocht om over de onderhavige verzetzaak op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat opposant, ondanks meerdere verzoeken hiertoe van de rechtbank, geen machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij door een (of meer) van de daartoe bevoegde personen gemachtigd is namens Business Trade Center Heerlen-Aachen B.V. beroep in te stellen tegen de bestreden uitspraak op bezwaar.

2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. Opposant heeft in het verzetschrift ten aanzien van de machtiging aangevoerd dat deze reeds deel uitmaakt van de dossiers die de rechtbank heeft ten aanzien van Business Trade Center Heerlen-Aachen B.V. Bovendien stelt opposant dat de machtiging nogmaals (al dan niet in kopie) is bijgevoegd.

4. De rechtbank stelt vast dat opposant in het onderhavige dossier geen machtiging heeft overgelegd. Nu er op het moment van de uitspraak geen andere dossiers waren van Business Trade Center Heerlen-Aachen B.V. kan daarin evenmin een machtiging voor de onderhavige procedure zijn verstrekt - waarbij de rechtbank in het midden laat of een dergelijke machtiging dan zonder meer ook op de onderhavige zaak betrekking zou kunnen hebben.

5. De rechtbank heeft het beroep derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6. De rechtbank betrekt hierbij tevens dat opposant in zijn verzetschrift nog een scala van andere punten benoemt, zoals het feit dat hij de juiste adressering heeft vermeld, dat zowel het bezwaar- als beroepschrift tijdig is ingediend, dat er vanwege de covidpandemie rekening gehouden moet worden met bijzondere omstandigheden bij het verdelen van de (huur)lasten, dat hij vrijstelling van het griffiegeld heeft gevraagd en dat de rechtbank bij het plannen van haar zittingen rekening moet houden met zijn agenda, alsmede met de planning van (de griffiers van) de andere rechtbanken en gerechtshoven in Nederland en dat hij pleit voor snellere digitalisering bij de rechtbank. Deze punten zien echter niet op de vraag of opposant wel of geen machtiging heeft overgelegd. De rechtbank ziet ook hierin dus geen reden anders te oordelen dan in de uitspraak van 21 januari 2022.

7. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, rechter, in aanwezigheid van J.W.J.M. van Rijt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2022.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen in de bodemzaak op: 3 maart 2022

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.