Bestuursrecht overig

Woo. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Geen procesbelang. Toezegging college dat document niet…

Rechtbank Limburg, 8 juli 2026

Zaakgegevens

Op 8 juli 2026 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Limburg
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
8 juli 2026
Datum publicatie
8 juli 2026
Zaaknummer
ROE 26/1260
Procedure
Proces-verbaal
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:6688
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Woo. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Geen procesbelang. Toezegging college dat document niet openbaar wordt gemaakt tot is beslist op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 26/1260


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
29 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. H.B. Frenken),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert

(gemachtigde: mr. M. Jaouni).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op verzoeksters verzoek om een voorlopige voorziening dat zij heeft ingediend hangende het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 2026 inzake het verzoek van een derde partij om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo).

Procesverloop


2.Een derde heeft op grond van de Woo aan het college gevraagd om documenten die deels afkomstig zijn van verzoekster of deels aan verzoekster zijn gericht, openbaar te maken.

2.1.

Na een voornemen van het college en een zienswijze daarop van verzoekster, heeft het college met het besluit van 21 mei 2026 besloten het gevraagde document (deels geanonimiseerd) openbaar te maken.

2.2.

Verzoekster heeft tegen het besluit van 21 mei 2026 bezwaar gemaakt bij het college. Hangende dat bezwaar heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om te voorkomen dat de documenten openbaar worden gemaakt.

2.3.

Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

2.4.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] , de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.

2.5.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

  • veroordeelt het college tot betaling van de proceskosten aan verzoekster tot een bedrag van € 934,-;

  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden.

Motivering van de beslissing

Procesbelang

3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor het treffen van een voorlopige voorziening is vereist dat verzoekster daarbij een procesbelang heeft. Van een dergelijk belang is slechts sprake indien met de gevraagde voorziening nog een feitelijk of juridisch relevant resultaat kan worden bereikt. In dit geval is dat niet aan de orde.

3.1.

Het college heeft in het verweerschrift van 23 juni 2026 aangegeven het document niet openbaar te maken alvorens de bezwaarprocedure is doorlopen. Het verweerschrift is per post en daarnaast op vrijdagmiddag 26 juni 2026 per e-mail aan de gemachtigde van verzoekster toegezonden.

3.2.

Het door verzoekster met het verzoek beoogde resultaat, namelijk het niet openbaar maken van het document totdat op het bezwaar is beslist, is inmiddels door het college toegezegd, zodat de gevraagde voorziening geen toegevoegde waarde meer heeft. Reeds daarom ontbreekt het procesbelang en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Proceskostenvergoeding

4. De afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening staat niet in de weg aan een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter ziet daartoe aanleiding. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was het voor verzoekster noodzakelijk om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Daarmee kon worden voorkomen dat het document openbaar zou worden gemaakt. Immers, in het besluit van 21 mei 2026 staat: “Derhalve worden de documenten niet eerder verstrekt dan twee weken na dagtekening van dit besluit. Indien binnen deze twee weken bezwaar wordt ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan, vindt verstrekking niet eerder plaats dan na de rechterlijke uitspraak.” Vervolgens heeft het college pas in het verweerschrift van
23 juni 2026 aangegeven te zullen wachten met openbaarmaking tot er op het bezwaar is beslist. Daarom bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van verzoekster.

4.1.

Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Voor een vergoeding voor het verschijnen ter zitting ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, omdat de gemachtigde van verzoekster op vrijdagmiddag al kennis heeft kunnen nemen van het verweerschrift.

De gemachtigde had ervoor kunnen kiezen het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken en gelijktijdig te verzoeken om een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter bepaalt verder dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet betalen.

5. De voorzieningenrechter heeft partijen tot slot nog gezegd dat tegen de uitspraak geen rechtsmiddel openstaat en dat partijen het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak binnen twee weken toegestuurd krijgen.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026 door mr. G. Leijten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Haddoumi, griffier.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 9 juli 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.